|  |
|
| | Visserslatijn | Andere artikelen | | | We kennen Latijn als een van de oude talen, soms zelfs als basis van wat velen van ons heden ten dage brabbelen, in welke uithoek dan ook. Volgens mijn goede vriend Frits Vrij maak ik hier trouwens en wel meteen al een ernstige fout. Want wat wij hier nu spreken (en in een fors deel van Europa) stamt voor een deel af van het Latijn, maar voor een heel groot deel van de oertaal Germaans, en eigenlijk nog verder terug het Indo-Germaans. Maar goed. We kennen ook het 'visserslatijn'. Dat is de enige variant die ooit bedacht werd op die antieke en loodzware taal. Een snoek heet in het Latijn Esox lucius en een baars Perca fluviatilis. Zo weten we heel zeker over wie we 't hebben. Geen vergissing mogelijk. Want achter de naam baars kunnen nogal wat types schuilgaan: zeebaars, stekelbaars, baars, snoekbaars, schele pos (jawel), large- of small mouth ba(ar(s))s, peacock ba(ar(s))s en waarschijnlijk vergeet ik er een paar. Vanellus vanellus (ik put even uit mijn redelijk geringe Latijnse namenschat) is de deftige naam voor de kievit, en dus geen Haematopus ostralegus, wat de achternaam van de scholekster is. Hoewel de beide dieren -zeker gezien met het lekenoog- misschien op elkaar lijken, is er met het Latijn in de kwakert geen vergissing meer mogelijk. Zo ken ik ook Limosa limosa, wat een grutto aanwijst, terwijl diens volle neef de rosse grutto, Latijnsgewijs naar de naam Limosa lapponice luistert en dat maakt hem dus een rosse en geen gewone grutto. Zo kennen wij binnen onze hobby de Blicca bjoerkna en Abramis brama, weliswaar allebei plat, met wat dommige bolle ogen maar biologisch gezien toch volkomen verschillend, want de eerste is dus de kolblei en de tweede de brasem. Mooi.
Ik tuinier ook. Met mijn goede vriend en buurman én mederedactielid van dit door de engelen aangeraakte tijdschrift Willem Hofman, deel ik in ieder geval twee boeiende hobby's: vliegvissen en tuinieren... Nee, drie, want vogelen komt daar ook nog bij. En een brede interesse in schilderkunst enzovoort. We praten graag over ons beider tuinen en wisselen soms stekken uit. Als we dan zo, meestal licht voorovergebogen, onze tuinen in staren - zo met de handen op de knieën - en het dus over plantjes gaat, orakelen we heel wat af, knikken tevreden naar de nieuwe hosta's, of de kersvers ontluikende skilla's... die ik laatst van Hyppo kreeg. Of we denken er nu toch serieus over die sterke Duitse delphineums aan te schaffen. Zo gaat dat. Soms. Ook roeren we na het tuingeklets af en toe de vliegvisserij nog even aan.”Is de roofblei al op de IJssel of...?” Het gesprek gaat ook vaak helemaal andersom. 't Is maar net hoe onze pet staat. Willem nu kent bijna al z'n planten in 't Latijn. Da's bewonderenswaardig. Het tilt hem - in mijn ogen - naar erudiet, het laat mij jaloers achter in m'n eigen tuin, met ook best wel veel mooie planten, maar ik ken er bijna geeneen in 't Latijn. Wel een paar, maar dat haalt het niet bij die uitsloverige buurman vamme. Daar kun je zelfs wel van wakker liggen, maar dat doe ik niet. Soms echter vliegt het me even aan als ik hem weer eigenwijs hoor orakelen: “Er is een groot verschil, Ad, tussen de Areadolus darcysie en de Areodolus parthadeum, maar dat zie je gelukkig zó. Want kijk, de meeldraden lopen bij de darsysie van li.... ”. Ik zie natuurlijk geen barst, maar doe laf alsof en zeg schijnheilig: “Ah-ha, zit dat zo... ik dacht laatst ook al...”. Ik heb eens serieus overwogen - het stroomde als een warme golf door mij - om hem krachtig, dus languit, in een van z'n Latijnse wonderborders te duwen, maar daar kwam het niet van. Ik durfde niet en waarschijnlijk mag ik hem toch te graag.
 Visserslatijn. Een Latijn dat blijkbaar alleen door vissers gesproken wordt, want ik hoorde nog nooit van een duivenmelkers-, een kaartspelers-, noch van een postzegel- of treinliefhebberslatijn. Of van hockeylatijn. U wel? Het Latijn dat wij vissers spreken heeft alles te maken met overdrijven. Volgens sommigen met puur liegen en vlakke leugenachtigheid. Dat kan misschien ook, maar daar kom ik nog op terug. Toch is de toon die achter het visserslatijn schuilgaat een milde. Een met een glimlach. “Ik had een winde van 65 centimeter!” “Ja dat zal wel, jij met je visserslatijn!” Waarom en vooral hoe is dat Latijn ontstaan? Omdat wij op de een of andere manier graag overdrijven, de zaak aandikken met een paar centimeters of onsen. We bedotten, als het gaat over een gevangen vis, de toehoorders graag en daarmee onszelf. Zelfs zo dat we 't zelf (gaan) geloven. Niet altijd, maar 't sluipt maar zo binnen. Een voorbeeld: maat en ik bevissen de gehele donderdagmiddag de Mastenbroeker polder. In de herfst en met de streamer op snoek. Ze doen het niet erg. Een naloper, een tik, een zeurderig nadraaiende kolk, dat was het voor mij die dag. Maat heeft een jack en ook een volger. We begonnen om elf uur en het is nu vier uur in de middag. We dreutelen al vissend in de richting van mijn huis en vooral ook van een neut. De Bisschopswetering is een paar kilometer lang. Wij bevisten het grootste deel ervan, met het eerder genoemde resultaat. Tussen de spoorlijn Kampen/Zwolle en mijn huis ligt nog een goede 400 meter water, dat ook naar dezelfde naam luistert. Het is een goed stuk want iedereen vliegt er langs op weg naar 'dieper en vooral verrrrder de polder in'. Wij hadden er slechts één misser die ochtend. Als we bij het spoor zijn komt Ewout ons tegemoet. Of hij nog iets gezien heeft? Want het zal wel? “Acht.” Acht, is zijn antwoord. “Blankvoorns?” “Nee, snoek natuurlijk en nog een mooie negentiger ook! Eh... en jullie?” “Aa-hacht?”, doen wij met open mond. “Op dit stuk!?” “Ja, en ik ben hier nog maar een goeie anderhalf uur.” Tsja! Ewout... eh... Ewout nu, die hebben wij toen tezamen rustig maar heel zeker het water in gedreven.
Visserslatijn? Ik ken iemand die in een uur ooit eens 45 'windetjes' ving. U ook?!? Ah, u kent Nol dus. Alleen van de telling al moet je neurotisch worden en ga je schichtig om je heen kijken. 45? Hoe doe je dat?! En hoe herinner je je dat, waar haal je de hoogmoed vandaan dat aan mindere geesten zomaar en vooral plompverloren mede te delen: “Ach, ik had nog 45 windetjes...” En dat zonder jezelf met een stoep-rand om je nek te water te willen storten? Nol ving ook ooit eens 8, ja weer acht, maar nu 'meters of bijna meters' op een dag. Alleen natuurlijk, maar goed. Nee, de batterijen van z'n camera waren helaas ook net leeg. Zijn Ewout en Nol misschien bevriend of hebben zij een verbond? Nee amper, maar ze hadden, denk ik, wel dezelfde leerschool. Ewout weer, nu Ewout, die heeft de naam ooit eens 12 karpers op een ochtend aan de vlieg te hebben gevangen. Jawel, twaaluf... waaronder een twintig + ponder... Jawel twintug... en ook nog een stuk of tien - daar komt ie weer - 'windetjes'. Als je Nol of Ewout tegenwoordig op of aan het water tegenkomt en je informeert... dan heeft hij altijd (nee, nooit eens fijn een keer niets)... altijd wel een metertje. Kijk ik ben drie maanden blij en kan werkelijk overal tegen als ik weer eens een heuse meter vang. Hij vangt tussen neus en lippen door even een meter...TJE. De oetlul! Door dat 'TJE' ga je hopen dat de bliksem op hem neerslaat. Hij gaat dan natuurlijk ijverig op weg naar meer, meerder en meterder-der. Met die misselijkmakende glimlach van 'ik wel en jij lekker niet', die vastberaden tred van hen die altijd gelijk hebben, of het zeker weten te gaan krijgen. De griezels!
Visserslatijn, kan heel leuk, makkelijk, én handig maar ook vreselijk zijn, vooral voor ons, de normalen. Want je kunt immers meestal geen donder bewijzen. Ik bedoel dat Nol of Ewout lopen te liegen dat ze barsten. Dus... komen ze er mee weg, jou achterlatend met een minderwaardigheidscomplex van 'heb ik jou daar'... of eigenlijk moet dat zijn... 'had ik ze zelf maar..daar'... Het leven van een eerlijk mens binnen het vliegviswezen is zwaar, vrienden. Bah.
Ad Swier. | | | | | | | 
Reageer op bovenstaand item | |
|
| Aantal gevonden artikelen: 1 |
 |
| Artikel |
Geplaatst op: |
| Visserslatijn |
18/09/2008 16:49 |
 | | | | | | |
|
|