Van je maten moet je het maar hebben

(schrijver onbekend, 1991)

Op een van die vele zaterdagen in de maand november besloten we voor de verandering toch maar weer eens te gaan snoeken. Het was toch al weer vier dagen geleden en die ene metersnoek was er uiteindelijk nog steeds niet. Na een kort beraad in een van onze stamkroegen kwamen we onder het genot van een biertje en een partijtje dobbelen tot het besluit om plusminus 7.00 uur zondag­ochtend te vertrekken onder het motto: 's avonds een sloper, 's ochtends een stroper (want bier drinken doe je toch echt zelf!)

Na een (HIK!?) behoorlijk gezellige (HIK!?) avond, waarbij de gesprekken varieerden van stropen tot stropen, begaven we ons in de late uurtjes naar huis.

6.15 uur: Mijn wekker begint te ratelen en dat betekent: hoofdpijn, nadorst er uitkomen en...VIS­SEN natuurlijk.

7.00 uur: Sander, die naar mij toe zou komen, was er nog steeds niet en dat vond ik toch wel verdacht. Een kort telefoontje leerde mij dat Sander het "er toch maar uitkomen" vergeten was, alsmede zijn fiets de vorige avond. Die stond dus nog ergens in de stad. (Waarschijnlijk met twee lekke banden).

7.30 uur: Uiteindelijk stonden we dan toch allemaal gereed: vier man sterk. Uitgedost met hengel, reel en camo-kleding en natuurlijk van die verschrikkelijk dikke IJsselvoorns die er gewoon om schreeuwden om gegrepen te worden door oma ESOX, die ergens vet lag te worden op de bodem van het Kanaal door Voorne. Onze visstek van die dag dus.

Na een half uurtje gereden te hebben besloten we toch maar even bij het eerste het beste pompstation wat nadorst aan t schaffen en natuurlijk wat junkfood. Want oh wat smaakt dat na zo'n avondje stappen. (Mijn tandarts ziet dat natuurlijk met welgevallen aan)

Eenmaal aangekomen op de plek van bestemming konden we zoals gewoonlijk weer niet snel genoeg optuigen. Uiteraard ging daarbij dan ook weer het een en ander verkeerd.

Richard bij voorbeeld, die er op het laatste moment pas achter komt dat zijn hengel 13 ogen heeft in plaats van 12.

En Arno, die Acid House bewegingen staat te maken (zoals altijd), waarbij hij Sander met de top van zijn hengel wil laten zien hoe donker het gisteravond was in dat kamertje twee hoog.

Uiteindelijk stonden we dan toch als echte stropers langs de waterkant bij een dromerig mooie rietkraag, waar bovenlangs elektriciteitsdraden hingen. Arno beweer­de hevig dat dit de beste plek was omdat, (hou je vast): daar vogels als duiven, eenden, ganzen en struisvogels, tegenaan vliegen, in het watervallen en daar gretig door mevrouw ESOX worden opgewacht". Sander voegde daar nog aan toe dat er ook vogels waren die dit zien en dan van schrik in hun broek schijten, hetgeen ook weer in het water komt en dan weer witvis lokt. Kortom: een beste stek!

Na een uurtje gevist te hebben begon ik te snakken naar een bakkie cafeïne, maar dat mocht geen problemen opleveren, want ik heb mijn thermosfles altijd tot de rand volgegoten (zoals de meeste vissers dat wel hebben, met of zonder rum). Al nippend en genietend van mijn bakkie leut staarde ik naar mijn gele kurk. Hij hield mijn voorn plm. twee meter onder het wateroppervlak, het was daar ongeveer vijf meter diep, maar naar ervaring zat de snoek daar niet diep en jaagde behoorlijk hoog. Op een gegeven moment, toen ik net zat te denken of Arno en Sander wel gelijk zouden hebben met hun theorie, begon mijn aasvis hevig druk te worden. Het leek wel een indiaan die de regendans aan het uitvoeren was op zijn rolschaatsen.

Plots zakte mijn dobber dieper weg, net tot aan het balletje van mijn antenne, deze klapte enkele seconden later plat op het water en vervolgens gebeurde wat iedere visser wel kan raden. Mijn kurk schoot met een ferme ruk de duistere diepte in. Na deze gebeurtenis zette ik direct mijn spoel los. Hij zwom nog ongeveer drie meter lijn van mijn reel af en bewoog zich daarna zo goed als niet meer..

Als je veel vist of dikke boeken hebt gelezen over snoekvissen mag je best wel aannemen dat het om een flink exemplaar ging (wat de aanbeet betreft dus). Na geteld te hebben van O tot 5, zei ik toch nog maar 6 en 7. Met mijn duim op de spoel en mijn andere hand aan mijn slip sloeg ik aan, wachtend op wat er komen zou. Op het eerste moment voelde ik niks, alleen maar een betonblok, maar enkele seconden daarna begon er toch echt iets te leven. Ondertussen kwam Arno aangelopen die weer eens lollig probeerde te zijn. Hij vroeg of ik mijn aasvoorn voor een snoek had aangezien. Eenmaal bij mij aangekomen zag hij mijn snoekpook al aardig ver doorbuigen. Toen werd hij toch ook wel nieuwsgierig naar wat er aan mijn hengel stond te rukken.

Met ferme snelheid, te vergelijken met een Mercedes 500 die vol gas een Porsche probeert in te halen, zwom mijn ESOX door een kolkende watermassa trachtend te ontsnappen. Eenmaal bovengekomen gaf hij zich na wat schudden met de kop al vrij snel gewonnen. De snoek werd geland en onthaakt, waarbij zich geen enkel probleem voordeed omdat ik met de takel viste en de vis dus keurig (zoals het hoort!) voorin de bek gehaakt bleek.

Na een plaatje geschoten te hebben werd hij netjes teruggezet in de hoop hem nog een keer te vangen als zijn lengte uit drie cijfers zou bestaan. Nu bleek hij 86 centimeter te meten, niet echt groot, maar toch leuk als je niet echt verziekt bent. Sander die alles had toegezien vroeg met een brede grijns op zijn gezicht of ik pedofiel geworden was. Maar toen ik de opmerking plaatste of zijn vriendinnetje gisteravond wel op tijd thuis was, zei hij opeens: "Ik geloof dat mijn kurk weg is" en liep lachend terug naar zijn hengel.

De dag verstreek en er werden er nog drie gevangen, waarvan de maat nog niet in het Sportvissersjournaal voorkwam (in negatieve zin dan). Niettemin is het toch leuk als iedere keer die kurk wegschiet en de kans ontstaat om een echte kanjer te vangen.

Omstreeks 15.00 uur besloten we nog even een brug te pakken die ongeveer een kilometer verderop lag met het gezegde in het achterhoofd: "Naast wallen en onder bruggen liggen snoeken met dikke ruggen". We gingen dus vol goede moed verder in de hoop onze laatste uurtjes van die dag toch nog nuttig door te brengen. Het was prachtig weer en er begon een mooie brief over het water te blazen, ideaal dus. Eenmaal op ons territorium aangekomen pakten we de grootste en dikste aasvoorns die in ons zuurkoolvat zaten. We lieten het aas pal naast de palen van de brug in het water naar beneden zakken. Doordat we met z'n vieren naast elkaar lagen vormden onze aasvissen een soort gordijn: een knappe snoek die daar doorheen zou komen!

Na gezellig een beetje gebabbeld te hebben verstreek - al koffie drinkend - de tijd ..1 uur...2 uur...en er was nog geen teken van leven gezien. Dat was dan ook wel aan ons te merken, want je bent dan toch niet meer zo aandachtig bezig als daarvoor.. Het leek meer een theekransje van bejaarden, dan op een paar stropers die alles deden om hun prooi buit te maken.

Op een gegeven moment van stilte dacht ik: laat ik maar eens ophalen, misschien zit mijn voorn wel niet goed aan de takel, dat heb je wel eens, ik tenminste wel. Ik pakte mijn hengel op en draaide voorzichtig mijn voorn naar de oppervlakte. Eenmaal boven bleek dat hij er nog keurig aan zat. Toen ik hem weer wilde laten zakken, geheel onverwacht dus, schoot er een geweldig dikke tornado naar boven, die het waarschijnlijk op mijn aasvis gemunt had. Ik schrok zo dat ik een gil gaf als een maagd van 60 bij haar eerste keer. Het was een snoek die recht vanuit de diepte omhoog naar mij werd afgevuurd met z'n bek zo wijd open dat een krokodil er jaloers op zou worden. Hij greep mijn voorn, draaide zich om met zijn kop half boven water en liet zich toen als een blok beton naar de bodem van het Kanaal zakken, Mijn dobber kon naar Opsporing Verzocht" en ESOX verroerde zich voor geen meter. Het water kookte en er kwamen verder alleen nog maar belletjes naar boven (waarschijnlijk omdat hij met zijn dikke pens in de modder was weggezakt). Dat alles ging zo snel dat ik nauwelijks besefte wat er gebeurde. In een reflex drukte ik op het knopje van mijn spoel, zodat ik gelijk lijn kon geven. Als ik op dat moment aan een hartapparaat had gelegen en je op het beeldscherm had gekeken, had je waarschijnlijk toppen gezien, hoger en steiler dan het Himalayagebergte. En dan durven ze nog te beweren dat vissen voor de ontspanning is. (Ja, overspanning misschien!)

Mijn vismaten kwamen direct aanrennen en zeiden dat ik net een wijf was dat zo gilde. Een zestigjarige. enz. Toen ze het water eenmaal zagen en mijn verhaal aanhoorden raakten ze toch wel onder de indruk. Toen ik een beetje bijgekomen was van de schrik draaide ik langzaam mijn lijn strak. (Ik viste met een 18 pond gevlochten lijn, dus die kon wel een stootje hebben.)

Ik voelde even en ja hoor, ik voelde wat stoten, direct er op sloeg ik met een forse tik aan om de bek goed te kunnen zetten in de bek van de snoek, maar tot mijn grote woede voelde ik helemaal niks, nada, rien du tout, niente, zilch, nothing, nichewo, NOPPES. Nou, een beetje visser weet precies wat je, en hoe je je dan voelt, flink beroerd dus en vooral als het om een forse vis gaat. (Misschien wel om de snoek die alleen in je dromen voorkomt.) Verslagen draaide ik mijn lijn binnen en het enige wat daar nog aan vast zat was mijn stuitje, die mijn drijver zo mooi onder water had gehouden. Het was even stil en de jongens wisten niet of ze nou moesten lachen of treuren, want mijn kop scheen nogal lachwekkend geweest te zijn.

Maar aan de andere kant voelden ze toch ook wel met me mee en vonden dat dit echt zonde was. Zo'n aanbeet gebeurt meestal alleen in je dromen of fantasie, maar dat laatste stukje film gaat dan meestal WEL goed. We zijn toen gelijk naar huis gereden en je mag drie maal raden waar het gesprek over ging in de wagen en waar ik die nacht koortsig over genachtmerried heb. Maar het mooiste komt nog! De week erop gingen we weer bij diezelfde brug vissen, weer op dezelfde stekken, en nou kreeg weer iemand beet, genaamd Arno en zijn kurk bleef daar gelijk onder water staan, en het bleek weer een grote te zijn (verdacht!) Arno bleek meer geluk te gebben dan ik de week daarvoor en hij sloeg met succes aan. Ik schepte zijn (misschien wel mijn) snoek, zonder dat zij losschoot. Arno ving zijn snoek dus ook. Maar eigenlijk was het mijn snoek, want mijn takel had-ie nog in zijn bek. De lengte van het beestje bedroeg 101 cm en het was zo vet als bagger. Arno was die dag verder in tophumeur en vertelde mij wel tien maal hoe dik die snoek wel was en snapte maar niet, waarom ik zo de pest in kreeg. Als ze nou nog zouden vinden dat ik niks voor mijn maten over zou hebben, zou ik ter plekke van al mijn hengels de ogen er af slaan en er prachtige rozenstokken van maken.

Degenen die mijn verhaal eerder hebben gehoord weten waarschijnlijk wel wie ik ben, maar voor de rest houd ik mij anoniem, want er is altijd wel een lollige broek, die een grappige opmerking wil plaatsen en dan weer al mijn net verwerkte emoties weer bij mij naar boven haalt en daar zit ik nou net niet op te wachten. Hierbij zeg ik dan ook: Arno, gefeliciteerd met je groepsrecord 1990, maar ik zal er persoonlijk voor zorgen dat je niet meer gaat snoeken, maar bij voorbeeld volksdansen of zoiets, zodat dit soort tafrelen zich niet meer zal afspelen!!!!