Een echte broekeman

(1993)

 

We hadden die morgen de trein van Londen naar Salisbury genomen om in de Avon te gaan vissen. Het was in die mooie zestiger jaren toen er op die rivier nog heel mooie forel zat en de vergunningen ook voor ons jongelingen nog heel betaalbaar waren.
Die morgen wilden ze evenwel niet al te goed bijten en tegen lunchtijd waren mijn maten en ik dan ook al ras in de kroeg te vinden. Alcohol en ik waren nog betrekkelijk nieuwe vrienden, maar ik bouwde onze kennismaking met enthousiasme uit en om een uur of twee begaf ik me dan ook in hoger sferen naar de rivier, de afstand zeker dubbel afleggend, roepend en boerend naar bomen en steentjes gooiend naar een kudde arme schapen. Aan de rivier gekomen slaagde ik er op de een of andere manier toch in mijn hengel weer op te tuigen. Ik was echter zo dronken, dat de beweging van mijn hengel als van zelf door mijn lichaam werd overgenomen. Bij een achterwaartse worp boog mijn lichaam naar achteren, bij een voorwaartse worp naar voren. Zo zwaaide ik enige tijd vrij gelukkig en relaxed heen en weer tot ik, in mijn streven een perfecte worp af te ronden de hengel een tikje te ver naar voren doorzwaaide. Mijn lichaam volgde deze beweging, gehoorzaam tot in de rivier toe. Koppie onder in de ter plekke vrij diepe en snel stromende Avon. Scheldend en tierend en plots broodjenuchter baande ik me een weg naar de oppervlakte, maar ik werd toch zeker 50 meter meegesleurd alvorens ik de kant bereikte; de hengel nog steeds in de hand.
Ik sleepte mezelf het water uit en liet me languit op de oever vallen om rustig naar adem te happen. Om me- heen stonden mijn zogenaamde vrienden, de monden volgepropt met gras om hun homerisch gelach enigszins te temperen We besloten een vuur aan te leggen en in het volle zicht van eventuele voorbijgangers en  onschuldig vee trok ik mijn broek uit en stak hem aan een slok om boven de vlammen te drogen te hangen. Niet uit het veld geslagen door mijn witte knokige knieën en roodwit gestreepte onderbroek was de vis begonnen te rijzen en ik besloot toch maar lekker de oever af te stropen om te proberen er nog een paar te vangen.Toen mijn vrienden van hun hilariteit waren bekomen volgden zij mijn voorbeeld.

Maar stelt u zich mijn afgrijzen voor toen ik na afloop mijn droge broek wilde ophalen maar deze in het vuur bleek te zijn gevallen. Eén pijp was in zijn geheel verbrand, van de andere meer dan de helft en op mijn zitvlak en de voorkant zat een groot gat. Ik trok de droeve restanten aan, maar ze gaven me weinig zelfvertrouwen toen ik op het station van Salisbury stond, stinkend als een ouwe gerookte makreel, met de strak afkeurende blikken van wat tuttige dames op me gericht. Honden blaften naar me en kinderen joelden toen ik me in de trein begaf. Even was ik bang dat de conducteur me naar de bagagewagen zou verbannen maar tenslotte kreeg hij meelij met me en mocht ik gewoon met de trein mee, als een door scha en schande wijzer persoon.