Ierse notities

(Hans V, 1994)


Het begon allemaal op 11 juni, onderweg naar de Eemhof. John Piekaar vroeg mij, om Rob Bul te pesten, of ik iemand wist die zin had om mee te gaan naar Ierland. (John en Rob gaan daar al sinds jaar en dag samen heen, maar dit jaar nam de laatste met wat krantencollega's de Transsiberië Express naar Peking om vandaar verder met de trein door naar Saigon te gaan.) Ik had wel zin in Ierland maar ja..... de centjes, dus maar eens voorzichtig geïnformeerd wat dat allemaal wel moest kosten. Tsja zei John met zijn natte vinger in de lucht, je kan het natuurlijk zo duur maken als je zelf wilt, maar op zo'n ƒ 2.249,93 moet je toch wel rekenen. Worstelend met plotse anti-peristaltische bewegingen kon ik nog net uitbrengen dat ik daar nog even over moest denken. Dat duurde twee weken, waarna ik de grote stap besloot te wagen: ik kon tenslotte altijd nog wat ongedekte giro-betaalkaarten verzilveren.
We besluiten half september te gaan en ons voornamelijk op rivier en meer te beperken tot het belagen van forel. Waarbij natuurlijk ook nog wel met een scheef oogje naar eventuele zalm en zeeforel kon worden gekeken.

Een drukke tijd vol voorbereidingen breekt aan: vliegen binden is hel parool en al snel vullen mijn dozen zich met vreemde vliegen: Green Peters, Bibio's, Black Panels, Claret and Bumbles en nog meer van dat fraais.

Donderdag 8 september is het zo ver: om zeven uur vertrekken John en ik naar Le Havre, jaloers nagestaard door Rob, die toch nog sportief afscheid is komen nemen. Aan boord van het ro-ro schip St. Kilian (ja, zo'n betrouwbare ferry) laten we ons het buffetdiner zeer goed smaken: we brengen zo'n dikke twee uur in het restaurant door.

Eenmaal in Ierland rijden we linea recta naar Ballina, gekend sportviscentrum en onze uitvalbasis voor de komende twee weken. Daar Michael, onze gastheer, zegt dat er in de Moy volop zalm gevangen wordt, besluiten we het de eerste dag maar bij de koning der vissen te houden. Met een condoomspinner maken we het water boven de waterval onveilig maar dat condoom hadden we toch beter voor andere doeleinden kunnen gebruiken: noppes, de hele dag niet. De Ieren om ons heen hebben de bedoeling van dat condoom beter begrepen: elke tien minuten werd er ergens wel een fraaie zalm geland!

Altijd als het John tegenzit besluit hij terug te vallen op „old faithful", de Owenwee of Belclare river, de rivier van onze zalm rokende vriend Vincent. Rob en John bezitten het (hengel) visrecht. Het riviertje is op veel plaatsen slechts vijf meter breed maar heeft ook ondiepe runs van zo'n 15 meter breed, het heeft een visbezetting waar menige „echte" grote rivier jaloers op mag zijn. Al direct stortten zich een aantal jonge zalmpjes op onze vlieg en verderop mocht ik het genoegen smaken een werkelijk schitterende wilde bruine forel van zo'n 40 cm te landen. In het gastvrije huis van Vincent werden wij na afloop gelaafd met koffie en heerlijke lamsvlees-sandwiches.

Een dag later zetten we onze kaarten op Lough Dohybaan, waar Rob het vorig jaar twee werkelijk gigantische regenbogen gevangen had. Van zijn verhalen over „urenlang door veen baggeren" klopte niet zoveel, althans het was hem toen niet gelukt het redelijk begaanbare weggetje te vinden waarlangs wij nu vrij gemakkelijk tot de oever konden geraken. Maar daar heet hij Bul voor, zullen we maar denken! Het bootje, waar we mee mochten vissen, bleek een tot roeiboot verbouwde speedboat te zijn die voor driekwart vol water stond, maar daar hadden we al rekening mee gehouden door een emmer mee te nemen. Hozen dus en het ruime sop tegemoet! Na een kwartiertje trollend vissen stond de boot alweer halfvol met water, zodat we al hozend zo hard mogelijk terug roeiden naar de wal, de eigenaar van de boot luidkeels vervloekend. Dus moest ook de Owenwee River vandaag weer uitkomst bieden. De bovenloop van deze stroom is vrijwel volledig dichtgegroeid. Het vissen is er dus waanzinnig moeilijk, het visbestand luisterrijk. Vooral John maakte het zich lastig: hij besloot de rivier al wadend te verkennen. Het kwam hem op de nodige schrammen en butsen te staan, maar hij ving ook een aantal mooie en fel vechtende forellen. Uit euforie hierover werd ik door John op een uitgebreide maaltijd getrakteerd.

Hierna, dachten we, werd het tijd om eens op een meer vanuit een boot te gaan vissen. Nu waren John en Rob daar vorig jaar al geweest: toen was John er fullspeed op een rotsblok gevaren, waarna door de rot schok de claret bumble, die Rob net in zijn hand hield, zich tot ver over de weerhaak in Rob's anatomie nestelde. Daarom hadden we nu maar een ghilly genomen, dat leek ons veiliger. Het was prima visweertje: bewolkt en wat winderig, dus kon ik gaan vissen met mijn lange Loomis en een droppercast. Drift na drift werd gemaakt, met als schamel resultaat een paar forelletjes. Door de wind raakten die droppercasts wel snel in de war, zodat ik op een gegeven moment op een landtong werd afgezet, zodat ik daar op mijn gemak een paar nieuwe kon knopen. Want in zo'n schommelende boot is dat knap lastig, geloof me. Aan land werd ik opgevangen door een paar Ierse medevissers, die mij direct een mok gloeiende thee en een paar sandwiches met gealic cheese aanboden. Al thee leutend heb ik dingen meegemaakt en verhalen gehoord, die ik tot nu toe alleen nog maar in visboeken gelezen had. Gelegenheid om zelf nieuwe droppercasts te maken kreeg ik niet, want een van de ghilly's vond dat ik maar wat zat aan te klooien, waarna hij de klus van me overnam. Gelukkig konden mijn vliegen zijn goedkeuring wel wegdragen. Dit was echt lerlandvissen op zijn best. Een prima dag, weinig gevangen, veel regen, en heel veel plezier gehad.

15 september hadden we tot toerdag gebombardeerd. Via Westport maakten we en schitterende rit naar de Erriff River, John's favoriete visplek in Ierland. Dat kan ik mij wel voorstellen, want het is er prachtig vissen, maar je moet er dan ook wel een paar duiten voor neertellen. Op de terugweg, ja hoor daar wassie weer: de Owenwee River, nog effe een paar forelletjes vangen. Ik verspeelde er een hele beste, minstens 45 cm, doordat ik te lamlendig was geweest om een knoopje uit mijn leader te halen. Voor dit feit heb ik me door John laten schoppen, een handeling die hij met veel plezier verrichtte. Plezier vonden we ook vlak bij „huis". De River Deel bij Crossmolina bleek een gedeelte te bevatten waar bijna nooit werd gevist. Een doodlopend landweggetje bleek ons niet naar de gewenste stek te voeren. Aan een voorbijkomende boer vroegen we waar de rivier ergens was. Hij opende het hek van zijn land en vertelde dat deze aan de andere zijde van zijn weide stroomde en dat we zijn land wel mochten oversteken. We kwamen aan een oever die met zijn fraaie grindbankjes een ongerepte indruk maakte. We zagen volop waterspreeuwen en ook de ijsvogels gaven acte de presance. Het was daar magnifiek vissen en ik heb er zo'n 21 "bruintjes" van 30 cm en wel honderd kleinere gevangen. De Red Tags bleken regelrechte killers, al sneuvelden die op hun beurt weer in de royaal aanwezige bomen en struiken. Halverwege de dag verzwikte ik mijn voet en doordat ik heel snel mijn waadpak uitdeed en met mijn voet in het koude rivierwater ben gaan staan kon ik later nog wat verder hinkepinken, maar de pret was er wel vanaf, 's Avonds kwam die weer een beetje terug toen we bij Ann en Vincent Bourke op een copieus maal werden vergast. Vers gerookte zalm op eigengebakken volkorenbrood, gevulde gans, gegrilde rollade, diverse groenten, in de schil geroosterde aardappelen, zelfgemaakt ijs met caramelpudding, nee, dat eet ik (gelukkig!) niet iedere dag.

Zo tijdens gezellige kout verklapte Vincent iets, wat zelfs John na al die jaren nog niet wist: hij had ook nog de visrechten op een mooi meertje dat niet ver buiten Westport tussen de heuvels lag. Nee, gevist werd er bij zijn weten bijna nooit en er lag nog wel ergens een oud bootje op. En ja, Owen, de vriend van zijn zoon, zou wel bereid zijn om ons een dagje te gidsen. En zo keken we de volgende dag bedenkelijk naar een overnaads geklonken roeiboot die een verleden van zeker een zestig jaar met zich torste. Maar gelukkig lekte het scheepje vrijwel niet en Owen bleek, ondanks een aanstekelijke slaperigheid - te wijten aan wat veel pintjes dropwater met de naam Guinness, een prima ,boatman'. Hij wist de forel precies te traceren, en de wind stond zodanig dat we keer op keer een mooie drift over de ondiepten konden maken. We hadden een cast bestaande uit een green peter, bibio en een claret bumble op de topdropper en met de traditionele Ierse Lochstyle waar bij de 'bobfly' aan de topdropper als het ware over de golven danst, is die bumble een echte killer. John ving een stuk of twintig schitterende ,brownies' van zo'n 40-45cm, waar ik me met een stuk of zes tevreden moest stellen. Bovendien hebben we er nog zat verspeeld. Twee grote ‘brownies' gingen 's avonds mee terug naar Vincent en omdat er niemand thuis was, hebben we de vissen maar aan de deurknop gehangen. Dat kan gelukkig nog in Ierland!

Onze laatste visdag beloofde nog heel spectaculair te worden: we zouden met een bootje het estuarie van de River Moy opvaren om de zeeforel te belagen. We vertrokken al vroeg en tot omstreeks het middaguur visten we met een heel klein lepeltje, dat behoorlijk succesvol bleek. Tijdens het vissen dreven we langs diverse zandbanken waarop tal van zeehonden lui met de poten in de lucht zwaaiden of zich van puur enthousiasme luid blaffend in zee stortten. Prima, zolang ze maar niet achter onze zeeforellen aangingen! 's Middags hebben we met een sleepnet een slenk af gevist om verse zandalen te vangen. Nou dat ging niet verkeerd: in het net zaten wel een paar duizend visjes, waaronder ook zat zandalen. Dus gingen we het bij opkomend tij wat met de zandaal proberen, maar dat ging helaas niet best. Waarschijnlijk beheersten we de techniek niet voldoende, want het is heel subtiel vissen. Ook ging het steeds harder waaien en vervolgens ook regenen, zodat we het maar niet met de vlieg hebben geprobeerd. Al met al hebben we over de hele dag verspreid aardig wat zeeforel gevangen en er nog veel meer verspeeld. Vincent was 's avonds zo aardig om er tien grote voor me uit te zoeken, ze schoon te maken en ze vacuüm te verpakken, zodat ze mee naar huis konden. Naar huis ja, maar niet voordat ik in de viswinkel van Michael nog even had toegeslagen: een Wheatley natte vliegendoos, een vistas en een mooie Irish Tweed Barbourhoedje en dat voor prijzen die op 50% van de Nederlandse liggen.

Wat mij betreft gaat Rob volgend jaar weer een treinreis maken!!