Oude boeken in een oude boekenkast.
(Martin G, 1994)

Sommige zal je nooit meer lezen, andere zal je misschien doorbladeren vanwege enkele mooie illustraties. Ook staan er een paar boeken bij die je zo weer zou lezen, al heb je dat al vaker gedaan. Zoveel plezier verschafte het lezen ervan, dat je na verloop van tijd weer die sfeer wilt proeven, al ken je het verhaal. En dan pak je het boek weer, je leest een stukje en het feest der herkenning neemt een aanvang.

Een van die boeken is voor mij het boekje "Vissen met de vlieg", geschreven door Jan Schreiner, ergens in de jaren '60. Voor mij was dat het eerste boekje dat ik las over het vliegvissen, en het heeft mij ertoe aangezet zo'n 15 jaar geleden met het vliegvissen en vliegbinden te beginnen.

Uit dit boekje licht ik hierbij een deel van het eerste hoofdstuk, dat later in een enigszins gewijzigde vorm verscheen in "De gouden krab", het prachtige verhalenboek van Jan Schreiner.

 

Het wonder van het vissen met de vlieg

Er was eens ..., in het dorpje helemaal aan het eind van de wereld  - de Geschiedschrijver noemt geen namen - een  tovenaar. Een tovenaar met een lange ' baard en een flinke boel mystieke kracht. Hij woonde in een grot in de bergen. Enfin, ik hoef U niets te vertellen over tovenaars, want U kent het gedoe van die heren wel zo'n beetje. In het dorp waarbij die tovenaar woonde was het, naar onze begrippen een weinig vreemd gesteld. De mannelijke bevolking van het dorp deed nooit iets anders dan vissen. Het was dus geen wonder dat het ingetogen, eenvoudige en kalme mensen waren. Van maandagochtend tot zaterdag visten zij en de zondag gebruikten zij om met een hengel in de hand langs de waterkant uit te rusten. Zij visten niet omdat ze er van moesten leven, maar zij visten omdat zij vissen zo prettig vonden.

Er was gelegenheid te over, want rondom het dorpje wemelde het gewoonweg van glasheldere beken en stroompjes die afgestampt waren met vis. De vrouwen van die mannen in dat dorpje hadden het minder prettig, maar daar gaat het hier gelukkig niet om.

In het dorpje was ook een herberg. Natuurlijk was er een herberg. Welk dorp, dat zichzelf respecteert, houdt er geen herberg op na? Die herberg heette 'De Vechtende Baars' en er hing een groot uithangbord buiten in de vorm van een vis.

In die herberg kwamen des avonds de mannen van het dorpje bijeen om uit te rusten van hun vermoeiende vistochten en om, zoals dat overal wel ter wereld zal zijn waar mannen en herbergen zijn, te spreken over de belevenissen van de dag. Het gonsde 's avonds in die herberg van de verhalen over vissen en vis, vis en vissen.

Nu wil het geval - in een verhaal als dit wil het geval altijd - nu wil het geval, zei ik, dat op een avond, toen de stemming haar hoogtepunt, en de verspeelde vissen van de dag hun maximale maat hadden bereikt, het gesprek kwam op de tovenaar. Allen spraken vol ontzag over zijn gaven, die zeer groot moesten zijn.

Een der vissers - overal komt ge wel eens zo iemand tegen - was het daar echter niet bijster mee eens. Hij trok die mystieke gaven van de tovenaar, die wonderlijke kracht, ernstig in twijfel. De man sprak, overmoedig geworden door het succes dat hij die dag had gehad, schamper over des tovenaars kunde en zei: 'Ach wat, wat hij kan, kan ik immers ook.'

De gesprekken stokten en vroeger dan gebruikelijk was ging men naar huis. Men kan zich misschien wel voorstellen dat dit kwam door de sfeer die was ontstaan door 's mans boude bewering. Met tovenaars valt, voor zover ik weet, nu eenmaal niet te spotten.

Nu was die tovenaar uit de bergen een, wat je noemt rustige kerel. Een fijne vent. Men zag hem hoogst zelden in het dorpje en als men hem zag, dan had hij een hengel bij zich, want ook tovenaars vissen af en toe. Dit vindt U misschien het enige onwaarschijnlijke in deze geschiedenis, maar ik vraag U waarom tovenaars niet zouden vissen. Waarom zouden ze niet? Die tovenaar leefde zijn eigen leven, viste af en toe en voor de rest had hij maar het liefst - zoals het goede tovenaars en vissers betaamt - dat men zich zo min mogelijk met hem bemoeide.

Desondanks had ook die tovenaar zijn prestige en tweedagen na het gesprek in de herberg, het gesprek dat aanleiding was geweest om vroeger naar huis te gaan dan gebruikelijk, werd er geklopt op de deur van de man die in zijn overmoed had gezegd, dat hij hetzelfde kon als de tovenaar. De man ging open doen en stond tegenover de man met de baard uit de bergen.

'Ik wil U even spreken', zei de tovenaar. 'Dat is best', zei de man, 'kom binnen'.

'Het gaat over Uw onverantwoordelijke uitlating van eergisteravond in 'De Vechtende Baars'.'

'Ik kan me niets herinneren', antwoordde de man.

' Ik zal woordelijk herhalen wat U zei: Ach wat, wat hij kan, kan ik immers ook'.

De man verbleekte, maar ontkende het niet.' 't Is waar', zei hij, 'en eh...ik blijf bij wat ik toen beweerde'.

'Dan eis ik genoegdoening van U', sprak de tovenaar.

' 't Is goed, die zult U hebben'.

'Morgen vroeg, als de torenklok vier slagen laat horen, verwacht ik U aan de

beek aan de oostzijde'.

'Ik zal er zijn', zei de man.

De tovenaar ging zijns weegs.

Vier slagen zinderden uit de galmgaten van de oude torenklok over het slapende dorpje. De man en de tovenaar ontmoetten elkander bij de beek aan de oostzijde.

'Volg mij', zei de tovenaar en de man volgde hem. Na enige tijd hield de tovenaar zijn pas in.'Halt', zei hij, 'kijk, ziet ge die vissen daar spelen?'

'Ja, ik zie ze spelen'.

'Luister dan goed, want ik ga iets doen, dat niet gemakkelijk is'. Hij keek de man spottend aan en vervolgde: 'vooral niet als je geen tovenaar, maar een zwetser bent'.

De man zweeg.

'Die vissen daar zijn schuw, dat weetje hè?' vroeg de tovenaar. De man knikte

'Als wij enkele stappen nader tot ze gaan, of we zwaaien met de armen, schieten ze weg', lichtte de tovenaar toe, 'ze hebben het hier goed in die koele bergbeek en ze willen hier graag blijven, daarom schieten ze weg'. Weer knikte de man.

'Ik ga nu het volgende doen. Ik vang een vlieg', zei de tovenaar en hij ving een vlieg, 'en die maak ik dood. 'Zo, zie je', en de tovenaar bracht de dode vlieg vlak voor de ogen van de hengelaar, 'zonder hem te beschadigen'.

'Ik zie de vlieg', zei de man.

'Die vlieg ga ik nu aan die vissen daar voeren, zonder ze, let wel, zonder ze te verjagen, kijk'...

Een zacht geruis klonk naast de man, de tovenaar was verdwenen. De man schrok hevig toen de onzichtbare tovenaar begon te spreken. 'Ik ben er nog al zie je me niet. Houd die vlieg nu goed in het oog, wil je, daar gaat hij...'.

En tot grote verbazing van de man ging de vlieg door het luchtruim en kwam precies daar waar de vissen speelden op het water neer. Enige heftige kolken, het flitsen van gouden vissenlijven en ... de vlieg was verdwenen. Weer klonk een zacht geruis en de tovenaar stond weer naast de man aan de

oever van de oostelijke beek. Hij liet zijn vingers zachtjes glijden door zijn baard en lachte fijntjes.

'Jij kan wat ik kan, beweerde je. Wel, ga je gang. Breng de vlieg naar de vis zonder ze te verjagen'.

De man zweeg. 'Je krijgt drie dagen om er over na te denken. Drie dagen', zei de tovenaar, terwijl hij zijn stem somber liet dalen, 'en als het je niet lukt, jij grootspreker, dan kom ik je halen. En niemand van het dorp zal ooit weten waar je bent gebleven'.

De tovenaar was verdwenen.

Drie dagen later, op hetzelfde tijdstip en op dezelfde plaats, kwamen beide mannen samen.

'Hier ben ik', zei de man.

'Dat zie ik', bevestigde de tovenaar, 'en'...?

'Een moeilijkheid heb ik', zei de man.

'Dat dacht ik wel', antwoordde de tovenaar, 'en'...?

'De vliegen kan ik niet goed vangen en als ik er een heb, beschadig ik hem teveel'.

'Als dat het enige is', vond de tovenaar.

'Dat is het enige', zei de man, 'maar ik vond er iets op. Kijk, ik heb een kunstvlieg gemaakt van vogelveren'.

De tovenaar kneep listig zijn ogen samen en strekte zijn hand uit. 'Laat mij zien, die kunstvlieg'.

De man zette de vlieg van vogelveren op de hand van de tovenaar.

'Het is goed', zei hij, 'de kunstvlieg is even licht als een echte vlieg en het ging er niet om of het al dan niet een echte was'. De man zuchtte opgelucht. 'Het ging er enkel maar om de vissen een vlieg te voeren zonder ze te verjagen', zei de tovenaar.

'En het geeft niet op welke manier?', vroeg de man. 'Het geeft niet op welke manier'.

De man haalde een hengel te voorschijn en een spoeltje met een dikke stijve lijn. Aan het vooreind van die lijn knoopte hij een bijna onzichtbare draad en aan die draad bevestigde hij de kunstvlieg. Toen begon hij, alsof de hengel een zweep was, de lijn in de lucht te zwiepen. Heen en weer, heen en weer. Tegelijkertijd verlengde hij met zijn linkerhand het eind lijn dat hij in de lucht zwiepte, totdat het wel vijftien meter lang was. Met een laatste krachtige voorwaartse zwiep schoot hij de lijn uit over het water en het kleine kunstvliegje van vogelveren aan het eind van die lijn, streek op het water alsof het een echte was.

Enige heftige kolken, het flitsen van gouden vissenlijven en ... de kunstvlieg was verdwenen.

De tovenaar ook.

En de man vist weer van maandag tot zaterdag. En zondags vist hij ook. Niet omdat hij er van moet leven, maar omdat hij dat vissen zo prettig vindt.