Paalperikelen
(Rob B, 1994)

Toen Anne en Hans een tijdje geleden naar Jan (commander in chief van de Eemhof) togen om die gedenkwaardige Eemhofavond technisch en tactisch voor te bereiden hoorden ze dat de lichtmast, waar het tenslotte allemaal om draaide, wel was besteld, maar nog geenszins operabel was. Hij moest nog volledig worden gemonteerd en overeind gesjord.

„Nou" zeiden de heren Dikkerboom en Vrijhof, hun goede wil tonend maar er uiteraard op rekenend dat van hun aanbod geen gebruik zou worden gemaakt, ,, als jullie hulp nodig hebben, hoef je maar te bellen en dan helpen we wel een handje mee". Vrijdag 2 september werden zij echter pijnlijk aan hun belofte herinnerd en toen ik Hans omstreeks het middaguur toevallig belde stond hij net op punt van vertrek. Nu ben ik principieel tegen elke vorm van lichamelijke arbeid, maar het vooruitzicht dat het lucide moment van „er zij licht" natuurlijk zou worden gevierd met een vispartijtje deed mij vast ontsteken. „Wacht effe, ik ga mee!"

 

Op de Eemhof aangeland waren Jan en Manfred, de beheerder van de Eemhof, reeds met vier kompanen druk bezig met het vakkundig bekijken van een stalen lichtmast die met zijn tien lange meters lengte bevallig op het gras lag gestrekt. Eerst, zo was het plan, zouden we de twee zware armaturen aan de mast bevestigen waarna we op de een of andere manier zouden proberen het geheel overeind te krijgen. Anne zou de algeheel technische leiding krijgen, hij had tenslotte MTS en was officier bij de genie geweest. Wie kan er dan beter met brugdelen en aanverwante meccano-toestanden als lichtmasten overweg dan hij? Helaas maakten wij, net als de plaatsingsofficier bij de dienstkeuring indertijd, de fout zijn met goed gevolg doorlopen Middelbare Tuinbouw School voor Middelbare Technische School te verslijten. Enfin, onder zijn bezielende maar onbeholpen leiding dus, werd gepoogd de armaturen zodanig neer te leggen dat ze probleemloos aan de mast konden worden vastgemaakt. Daartoe moesten heel wat moeren op bouten worden bevestigd, die natuurlijk steeds net niet pasten. Maar na een uurtje hard werken zaten de lampen vast en konden we gaan proberen met zes man de mast „op te gaan lopen", totdat hij op zijn van tevoren geprepareerde sokkel zou kunnen worden geschroefd. De stagen werden over een geïmproviseerde bok naar de trekhaak van een volkswagenbus geleid, die kreunend en dreunend zijn krachten aan de onze paarde. En daar kwam de mast majesteitelijk overeind.... Ja en gij geleuft het! In een hoek van zo'n 45 graden aangeland ging de mast onder het gewicht van de twee armaturen angstig doorzakken en dreigde in tweeën te breken. Er restte ons niets anders dan de mast weer heel snel languit in het gras te vlijen. Goede raad was duur. Er zat niets anders op dan de armaturen er af te halen en de "kale" mast overeind te hijsen. Het was aan twee dapperen om die tien hele enge meters omhoog te klimmen, een armatuur meeslepend, om met een vrij handje - de andere arm werd wanhopig om de mast geklemd - wat met schroeven te gaan stoeien. Men zal begrijpen dat dit niet een, twee drie ging, het was pure mazzel als op een gegeven moment twee gaten tegenover elkaar konden worden gemanoeuvreerd, zodat er een bout doorheen kon worden geramd. En het moet worden gezegd: Anne en Hans lieten zich niet onbetuigd, in mijn idee zaten ze uren in die mast. Ze bleven er zelfs inzitten toen er een hevige stortbui losbarstte. Uiteraard drong ik me stante pede op als enige erfgenaam van de hengels der beide heren. Daarnaast beperkte ik me lafhartig, als de bekende stuurman aan wal, tot het geven van niet alleen ongewenste, maar ook onnozele adviezen.

Maar aan de andere kant, als ik met mijn postuur in die mast was geklommen (tegen de somma van fl. l .000.000.000 had ik dat misschien wel gedaan), had ik nooit een, hoogst noodzakelijke, maat mee kunnen nemen, anders was de mast meteen dubbelgeklapt! En in je eentje dat lampje bevestigen was godsonmogelijk. Gelukkig bleef de stemming er steeds goed in en was er aan gelach en gejoel geen gebrek. Toen er na veel gepiel eindelijk een lamp was bevestigd, werd de werkploeg naar het clubhuis gedirigeerd om een heerlijke 'Chinees' weg te werken. Ook daar was het lekkere sfeertje volop aanwezig, de visleugens vlogen over en weer en al snel hadden we voldoende moed verzameld om dat laatste lampje ook even aan die paal te nagelen. En eindelijk, tegen zeven uur was het zo ver. Nou nog niet helemaal, we moesten toch nog een halfuurtje wachten, want de stroom moest ook nog worden aangesloten. Onze Hans, die onder zijn 178 in het verleden uitgeoefende beroepen uiteraard ook dat van elektricien telt, ging vakkundig met een schroevendraaier te keer, waarna het aan mij werd overgelaten om te voelen of de mast soms onder stroom stond „want jij hebt toch rubberlaarzen aan". En toen, een draai aan een schakelaar, en ....er was licht! Een mooie lichtbaan streelde het water bijna liefkozend, waartegen de loze vissertjes in fraai tegenlicht zwart afstaken.

Denken jullie maar eens aan dit geworstel als je in de toekomst' s avonds de Eemhof onveilig maakt!