Een treinreis naar Vietnam

(Rob B, 1994)

 Mijn treinreis, die in Amsterdam begon en 16.660 km verder en zeven weken later in het Zuidvietnamese Saigon eindigde, was duidelijk niet als visreis bedoeld. Bovendien, stribbelde ik tegen toen Hans Vrijhof mij probeerde over te halen een vijfdelig vliegenhengeltje mee te nemen, wilde ik de hoeveelheid mee te nemen bagage tot maximaal twee citybags beperken. Toen na veel passen en meten het hengeltje toch kon worden weg gestouwd, was ik evenwel snel overgehaald: ik zou immers ook door Mongolië reizen en ik had gehoord dat dit land doorsneden werd door de meest fraaie en wilde stromen. Een paar standaardvliegen en nimfen, losse haakjes, een reel en wat klosjes Tectan completeerden het geheel.

Na een paar rustige dagen in Irkoetsk, na Moskou de tweede etappeplaats, stapten we weer op de Transsiberië Express die ons naar Mongolië zou voeren. Al direct na het instappen bemerkten we dat we niet in een voor "Westerlingen" gereserveerde wagon waren ingedeeld, maar terecht waren gekomen in een verder uitsluitend door Mongoolse handelaren en smokkelaars bewoonde wagon. We wilden toch zo nodig avontuur? Dat konden we krijgen!

Onze gereserveerde coupé bleek al bezet door een stuk of zes reizigers, die, het was toen vijf uur 's morgens, in alle toonaarden lagen te ronken. Voordat deze lieden - met hun talloze dozen bagage - er door de treinstewardess waren uitgebonjourd waren we wel een uurtje verder. Terwijl de trein zich langs het schitterende Baikalmeer slingerde ontwaakte het leven in de gangen en ging al snel zijn gewone loop. Dit bleek te bestaan uit voortdurende en fikse vechtpartijen in de corridor, zodat wij het raadzaam achtten om gedurende reis de coupédeur maar gesloten te houden. Af en toe klonken er wat gesmoorde kreten, gedempte klappen, afgewisseld met wat dronkemansgelal. En toen drie van ons voor een eenvoudige bete broods naar het restauratierijtuig vertrokken werd de vierde man, Cor, ter bewaking achtergebleven, volkomen afgebluft door een stomdronken Mongool, die met een wazige blik op Cor's bed neerzeeg om vervolgens de sluitspier van de blaas volledig te ontspannen. Voor Cor's verbaasde blik baande zich een stroompje urine een weg door de coupé om pas door zijn stapeltje reisboeken gestuit te worden. Onze reishandleiding, een door onszelf van tevoren vervaardigd dik boekwerk dat bij elk uitstapje werd meegesjouwd, zou de rest van de reis een verdachte geur blijven verspreiden. Gelukkig had de dronkenlap een paar toffe vrienden, want ze sjouwden hem zonder morren al nadruppelend naar hun eigen coupé en hebben vervolgens de onze zorgvuldig gereinigd.

 Toen de trein zich in de eerste uitlopers van de Gobi-woestijn boorde en we de Mongoolse grens naderden namen de gevoelens van onbehagen toe. Met een forse ruk werd plots de coupédeur opengetrokken waarna de opening werd verduisterd door een even lange als brede Mongool. Hij grijnsde wat en stootte voor ons totaal onbegrijpelijke klanken uit. Het duurde dus even voor we het doorhadden, maar toen was het dan ook glashelder: meneer wilde dat we een grote kartonnen doos, vol met sloffen sigaretten in onze coupé verborgen, zodat hijzelf met een onschuldig gezicht de grens over kon. Begrijpelijkerwijs hadden wij hier totaal geen zin in, zodat een objectief toeschouwer een Mongool kon ontwaren die een grote doos door de deur trachtte te duwen, waarbij vier paar handen en voeten hem daarbij de weg versperden.

Dit duurde een paar minuten, totdat onze tegenstrever het met een boos gezicht opgaf. Hij torende nog even in volle lengte in ons vertrekje waarbij hij met een hand een denkbeeldig pistool op de slaap richtte. Toen vertrok hij, ons in verbijstering achterlatend. Wat bedoelde hij? Zou de douane hem doodschieten als ze hem pakten met alle smokkelwaar? Zouden zijn bendeleden hem wellicht liquideren als hij er niet in slaagde met alle spullen dóór te komen of, erger uiteraard, stond óns dit lot te wachten na het passeren van de douane, omdat we hem niet ter wille waren geweest? De oplossing van dit raadsel bleef ons gelukkig bespaard, want Mongoolse militairen kamden de trein aan de grens volledig uit en door het coupéraam zagen we op een gegeven moment onze vriend met nog een paar makkers, in handboeien en bewaakt door een paar grimmig uitziende soldaten.

In het ochtendgloren vouwde Mongolië zijn volle landschappelijke pracht open: bruin dor gras en dorre bruine boompjes zover het oog reikte, waartegen de bruine kamelen, bruine paarden en bruine schapen niet echt afstaken.

Maar het water van de rivieren was gelukkig blauw genoeg. Mijn inlichtingen waren juist. Er was zat water, waar het vandaag kwam, geen idee; waar het naar toe ging, nog minder maar ze waren er: meanderende oevers, kiezelbanken, ondiepten en juichende stroomversnellinkjes. Helaas  stopte de trein pas in Ulan Bator, de hoofdstad van Mongolië, alwaar we eerst twee dagen moesten verblijven, voordat we kans kregen het achterland te verkennen. Maar op een gegeven ochtend werden we een honderd kilometer verder gedropt in een traditioneel Mongools nomadendorp, waar een zogenaamde yurt voor ons in gereedheid was gebracht. Deze ronde hut bestaat uit een houten frame, dat min of meer volgens het parapluprincipe binnen een half uur opgebouwd of afgebroken kan worden en bekleed is met huiden of vilt. Over onze gesprekken en avonturen in deze yurt kan en wil ik op deze plaats niet verder uitweiden, ik volsta te. melden dat de meeste geneugten in vloeibare vorm tot ons kwamen. Maar niet ver van het kamp, zo vertelde onze gids lag een rivier en als ik wilde kon ik daar wel even gaan vissen. Na een tocht over een bochtig pad met scherpe stenen en bewaakt door norse dennenbomen ontvouwde zich plots een stroom zoals een vliegvisser zich slechts in zijn wildste dromen wensen kan: snel stromend, langzaam stromend, schitterend helder water dat buitelde over de ondieptes om verderop messcherp langs een diepe oever te scheren. Een mooie kiezeloever aan mijn kant, waarop het comfortabel werpen was. Een kleine sedge aangeknoopt, een grote, maar ze dreven roerloos op de stroom. Een natte vlieg, een streamer en een nimf, heel het arsenaal aan trucs die Anne me van lieverlee in het oor gefluisterd heeft, werd toegepast. Zonder ook maar een beweging in mijn lijn te zien.

 Of er niets werd gevangen? Oh jawel hoor, ik ben het slachtoffer geworden van een even oud als melig grapje: er stond een inboorling te vissen met een kromme boomtak, een stuk lijn van 0,50mm, een forse gesmede haak met een dikke wurm. OK, het was niet veel maar in een uur tijd had hij toch drie mooie beekforellen op de kant, waar ik het als „super-profi" toch mooi moest laten afweten.

Om de frustratie af te reageren heb ik hem een paar mooi kamatsu-haken gegeven en een stuk O0,18 mm Tectan. Kon die nog meer vangen!

Op de terugweg zag ik iets dat ik mijn leven niet meer zal vergeten. Er klonk een luid gekraak tussen de bomen langs de oever, deze weken uiteen om ruimte te bieden aan een schitterende oude dame in een dofrode traditionele tuniek, gezeten op een paardenrug. Twee grote zakken hingen langs de paardenmanen naar beneden. Zij trok ze half op toen ze het dier de rivier in dirigeerde, op weg naar de overkant. In het midden kwam het water tot over haar knieën, maar ze gaf geen krimp. Met een vriendelijk knikje beklom ze de oever aan mijn kant en verdween weer in het woud.

Terug in Ulan Bator wilde ik toch wat meer weten over net vissen in Mongolië, hier moest toch een reis naar toe te organiseren zijn? Nu heeft Mongolië maar een reisbureau, Juulchin genaamd en het leek me verstandig daar mijn licht op te steken. Ja hoor, het was mogelijk om er te vissen, maar verdere inlichtingen geven, nee, dat was lastig. Ik kreeg alleen een jachtfolder in handen gedrukt, waarin vier regels waren ingeruimd voor 'Fishing in Mongolia'. Nee, op wat voor soort vissen er kon worden gevist, dat kon de folder me ook niet vertellen. En waar bleef vooralsnog ook een mysterie. Wel stond er datje voor elke „trophy" die je onder de meter ving 100 dollar moest betalen en voor een boven de meter diende zelfs 200 dollar te worden neergeteld. Men begrijpt, ik kan daar rustig en onbezorgd gaan vissen, lieden als Anne kunnen beter wegblijven! Maar wat ik ook probeerde, ik kon geen verdere inlichtingen krijgen.

Toch kan er op min of meer professionele basis worden gevist in de rivieren van Mongolië, ik weet het zeker. Hoe ik dit weet? Wel, toen ik bij het station van Ulan Bator werd afgeleverd en ik nog maar een minuut de tijd had om de trein naar Peking te halen en dus nergens meer op kon reageren, viel in het langs rennen mijn oog op een bestelbusje dat naast de stationsingang stond geparkeerd. Met daarop een sticker: Orvis Fishing Tackle!

 

Vissen in een tropisch aquarium
(oftewel: een treinreis naar Vietnam deel 2

Het laatste deel van mijn Aziatische rondreis bracht ik door in Vietnam. Wie dacht dat ik de voorgaande landen had bereisd zonder enig Bullisme te ontmoeten vergist zich natuurlijk deerlijk.

Na de nodige brekebenerij in Rusland en Mongolië stuntelde ik in China vrolijk verder. Wat zou je denken van de stoelgang in zo'n trein, waar het toilet bestond uit twee stalen uitgespaarde voetstappen met een gat ertussen. Staande of hurkend op die voetstappen in een schuddende en bonkende plee was het hele kunst de boodschappen in vloeibare of vaste vorm in de roos te deponeren. Met je ene hand krampachtig een randje vasthoudend om te voorkomen dat je achterover in de derrie schoot, met je andere hand je broek bijeenhoudend, zodat hij niet over de bruin bestronte grond zou slierten. En natuurlijk ging dit niet altijd goed!

En die keer dat ik China's Grote Muur bezocht, met zijn 6000 kilometer lengte het enige menselijke bouwwerk dat vanaf de maan zichtbaar is. Bij het verlaten liep ik in mijn eentje in een gigantische toeristenfuik bestaande uit wel honderd handelaren in 'T-shirts en andere troep. Aan alle kanten werd op me ingekakeld en aan mijn lijf getrokken. Of ik maar een T-shirt wilde kopen. Nu was ik niet ongenegen een blitsig T-shirt met een afbeelding van de Grote Muur en de tekst „I climbed the Great Wall" te kopen. Tenslotte hoefde niemand te weten dat ik die afstand per kabelbaan had afgelegd!
Dus ging ik akkoord met 3 T-shirts en rekende af. Nu kun je in China betalen met dollars, een speciale munt voor buitenlanders, die sprekend op de lokale yuan lijkt, maar tien maal zoveel waard is en de yuan. Ik rekende 450 yuan af en dacht een gulden of elf betaald te hebben. Nog stevig aan de prijs maar alla. Tot een half uurtje later met een schok tot me doordrong dat ik de kerel het toeristengeld had betaald en ik dus voor drie T-shirts, die me trouwens nog veel te klein bleken ook, fl. 110 had uitgeteld! Geen wonder dat die kerel zo verheugd grijnsde.

Bij de Vietnamese grens lagen de problemen weer anders. Te voet moesten we daar, drie kilometer dwars door het oerwoud. Als in een Amerikaanse B-film lag daar het Vietnamese grenskantoor in de broeihitte: witbekalkt, gammele, astmatische plafondventilatoren, groenbezwete uniformen, goed ingevette, veelgebruikte wapens. Visum niet in orde! Wachten op hoge officier met 'doorlaatautoriteit': tien lange, lange vochtige warme uren. Drinken, hangen, praten. Eindelijk een vers stempel en tien dollar per persoon dokken; plus een stropdas van de NRC.

Privacy is een ongekend gevoel in Vietnam, je wordt gek van de mensen die je aanklampen en iets van je willen. Dat begint zodra je je neus buiten de deur steekt en het houdt pas op als je de drempel weer overstapt. Niettemin, hoe vaak je ze ook afpoeiert, ze blijven vriendelijk. Dat is bewonderenswaardig als je ziet onder welke omstandigheden er wordt geleefd. Die zijn meer dan erbarmelijk...
Maar een echte cultuurschok bleef uit. Wat wil je, als je op je hotelkamer in Hanoi je tv aanzet op Star Tv en middenin een verslagje van Volendam-Feyenoord rolt. Slechts ik had er wat last van, want ik bleek, zowel in China als Vietnam, met mijn volumineuze gestalte een waar sexsymbool. Een aureool dat me in eigen regio volmaakt onbekend is. Vrouwen van jong tot oud wierpen me begerige blikken toe en gingen diverse malen onvervaard tot intieme handtastelijkheden over. Het bontst maakten de vrouwelijke ingezetenen van de schitterende badplaats Nah Trang het. Naast het hotel was een disco en toen ik om een uur of twaalf 's nachts terugkeerde van een strandwandelingetje ging deze net uit. Zo'n twintig giechelende en fraai geboetseerde meisjes omringden me, terwijl ze zich er uitgebreid van vergewisten hoe ik in elkaar zat. En geloof me, men kan wel eens wat zeuren over ongewenste seksuele intimiteiten en dat is vaak nog wel terecht ook, maar ik had er geen enkel bezwaar tegen!

In datzelfde Nah Trang liggen trouwens volop mogelijkheden voor schitterende visexpedities. Als viscentrum is het nog volledig onderontwikkeld, zodat de prijzen nog belachelijk laag zijn. Voor net vijftien piek ben je de hele dag met een boot onder de pannen. Hoewel, je moet voor vijf piek een krakkemikkig bengeltje huren, een prijs waarvoor je in die contreien een volledig nieuwe uitrusting kunt aanschaffen. Als je deze althans kunt vinden. Er moeten grote haaien en andere uit de kluiten gewassen zeebewoners te vangen zijn, maar niemand weet nog hoe dat moet en waar ze zich precies ophouden. Zodat ik me deze dag beperkte tot wat rifvisserij. Paternostertje, drie haakjes met een stukje inktvis als aas, dat moest het maar zo'n beetje wezen. Het aas raakte nog niet het water of er kwamen van alle kanten groupers op af, laten we zeggen een soort harders met vlijmscherpe tanden. 

 Te vangen waren ze niet, want omdat ik geen stalen onderlijntjes had, hapten ze gewoon het aas met haak en al van de zijlijnen af. Maar slaagde ik er in om door de laag groupers heen het aas tot op het koraal te laten zakken, dan waren de meest weergaloos mooie vissen mijn prooi. Vissen die ik tot dan toe alleen maar in het tropisch zeeaquarium van Blijdorp had gezien: citroengeel, vlammend rood, zwart met rode strepen, hemelsblauw, enfin, noem maar op. Met als uitsmijter tot slot een wreed uitziende murene, waarbij ik maar fluks de lijn heb doorgesneden. Want ik voelde er heel weinig voor om te proberen het beestje van de haak ie halen. Nee, het was best een leuke dag en ik mag dan ook concluderen dal Nah Trang voor de mega-corpulente visser in tweeërlei opzicht een uitstekende vakantiebestemming is....!

Wellicht zelfs in drie opzichten, want waren de maaltijden in Rusland en Mongolië wat schraaltjes,   in China en Vietnam werden voor een grijpstuiver de meest exotische maaltijden geserveerd voor belachelijk lage prijzen. Zo had je voor tussen de vijf en tien piek, inclusief drank, een zeer uitgebreide maaltijd. De spijskaarten waren evenwel veelal in het Chinees en Vietnamees, zodat de maaltijdkeuze een waar avontuur was. Zo werden ons o.a.   eendepoten en gepocheerde kwal   voorgeschoteld.   Met  als apotheose op onze laatste vakantiedag een restaurant in Saigon, waar naast de "normale" gerechten als verse vis en diverse schaaldieren ook uit de kluiten gewassen beren, wasberen, vleermuizen, cobra's en pythons op het menu stonden. Alle levend te bewonderen in een dierentuintje naast het restaurant. We waren vooral gecharmeerd van een mals uitziende cobra. De slang werd ter plekke gevild. Het hart werd uitgestoken en in een glas gegooid, waar het rustig verder klopte. Niemand had de moed er de tanden in te zetten. De slang zelf smaakte, roergebakken met verse groenten, prima. Alleen Stef nuttigde het slangebloed, dat als een potentieverhogende lekkernij geldt.  „Kruidige  afdronk,  niks  bloederigs  aan", liet hij  zich ontvallen en het „bijeffect" bleek naderhand volgens hem wel degelijk een grond van waarheid te bevatten!