Nee, die paste niet op de schoorsteenmantel
(Rob B, 1995)

 

Jaren geleden reeds, ik was nog jong, knap en ja, je zult het niet geloven, zelfs slank, visten John en ik al in Ierland. Nee, nog niet op forel en zalm en van vliegvissen hadden we eigenlijk nog nooit gehoord, maar meer op zeevis. En in die tijd, ik praat nu over 1968 was er in Ierland nog echt een visje te vangen. Als men vandaag de dag naar Ierland afreist om „diepzee" te gaan vissen, mag je al heel blij zijn als je volop zandhaai vangt met de nodige pollak of gul als bijvangst. Als je mazzel hebt vang je wat leng of congeraal, maar het gebeurt nog maar zelden dat er een specimen wordt gevangen. En als afwisseling wordt er dan op blauwe haai gevist en gelukkig gaat men hier gewetensvoller mee om dan vroeger, toen de gevangen vis zonder meer werd doodgeknuppeld. Nu wordt de haak verwijderd of de lijn doorgeknipt en met een merkje aan de vin mag de vis de zeeën verder afstropen. Maar de dagen dat je om vijf uur 's middags meer dan 20 verschillende soorten vis aan boord had, die zijn helaas bijna voorbij. Zelfs ik ving daar en dat, Bullism watchers weten dit, wil heel wat zeggen! Op een mooie dag ving ik zelfs een roggetje met het lieve gewicht van 110 pond bij een lengte van 2.15 meter. Lieden die nu het ,,ja maak dat de kat maar wijs" op de lippen komt moet ik waarschuwen: er zijn nog foto's van en ook nog een officieel document van het Dungarvan Deepsea Angling Center. Maar mijn allergrootste vis....wat ben ik blij dat ik die niet gevangen heb!

Kinsale 1970, toen en ook nu nog een viscentrum dat vrijwel volledig is gespecialiseerd op het vissen op blauwe haai. Wij kwamen daar min of meer op de bonnefooi en dat kon je toentertijd beter niet doen: alle boten waren voor de komende dagen volledig volgeboekt en opstappen was er dan ook niet bij. Maar, zo wist de hotelbaas, er is nog wel een mooie grote roeiboot met een buitenboordmotor te huur en dan kunnen jullie in de baai vissen. En zo tuften we op een mooie ochtend, met spiegelgladde zee naar huilen. Spiegelglad, ja dat wel, maar Kinsale ligt aan een ongeveer 5 kilometer lange, trechtervormige haven, recht voor de Atlantische oceaan. En die oceaan deint, zeker in een trechtervormige haven, zelfs al is er geen zuchtje wind. En zo kon het gebeuren dat je op het ene moment de bodem niet zag om een seconde later tot je grote schrik te bemerken dat deze pijlsnel naar je toekwam en de onderkant van de boot over naaldscherpe rotsen schraapte. Geschrokken zwiepten we de boot opzij en spurtten naar dieper water aan de overkant van de baai. Daar ontwaarden we een grot in de oever die tot in het water doorliep en we besloten daar maar eens te gaan ankeren. Gericht vissen was er niet bij, we hadden geen idee wat er te vangen viel. We tuigden een 20 ponds hengel op en deden een fiks stuk makreel op een grote haak, die weer werd bevestigd aan een stalen wapperlijn. Lui strekten we ons languit in de boot onder een stralend zonnetje. Wie deed ons wat?

 

Nou dat was het visje dat besloot zich met een schuchter trillinkje aan Johns hengel aan te melden. ,,He, alweer een hondshaai," mopperde John, terwijl hij routineus een hengst aan zijn hengel gaf. Vervolgens moest hij alle zeilen bijzetten om te voorkomen dat de stok uit zijn handen werd getrokken. Het was zwaar wat aan de andere kant van de hengel hing, dat was duidelijk. Maar wat was het?    De oplossing van het raadsel liet nog zo'n drie kwartier op zich wachten. Pompen en nog eens pompen, maar voor elke meter die werd binnen gedraaid werden er weer twee meters weggelopen. Maar eindelijk kwam er iets naar boven. Een kop om je werkelijk dood van te schrikken en een lijf dat met "armdik" veel te schraal beschreven zou zijn. Dijbeendik, dat was een betere vergelijking voor het monster dat poogde aan boord te glibberen om ons mores te Ieren. Een conger zo groot als ik nog nooit had gezien. De volgende momenten leverde het kostelijk tafereel op van twee angstige jongelieden die, staande op respectievelijk voor- en achterplechtje met een roeispaan probeerden de conger het leven te benemen. Hetgeen na tien minuten volhardend beuken ook inderdaad gelukte. Meer dan twee meter mat het beestje en die bek....! (Voor  de   ongelovige  Thomassen   onder  u:   ook   hiervan   bestaat  een photografie.) Maar met deze buit was de dag nog niet gedaan. We besloten het anker te lichten en naar het eind van de baai op te stomen. Zo voeren we op een gegeven moment de oceaan op, zij het dat we maar vijftig meter uit de oever bleven. Nu geschiedde het in die dagen dat de Ierse kust elke zomer werd bezocht door forse scholen basking sharks, in goed Nederlands walvishaaien (de grootste vis die er bestaat, kan tot maximaal 25 meter lang worden), iets dat vandaag de dag ook tot een regelrechte zeldzaamheid geworden is. En, zo had men ons verteld, ze komen soms tot vlak onder de kunst, dan kun je ze heel goed bekijken. Nou, dat werden wij gewaar! Stel je even voor: spiegelglad water, waarop een voortsputterend roeibootje, waarin twee suffende jongelingen nog namijmerden over de onverwachte vangst. Plotseling spleet het water letterlijk, waarna een gigantische rugvin boven ons uitrees. Het was een basking shark, die even poolshoogte kwam nemen. Hij was niet extreem groot, ik schatte hem op slechts een meter of 18. Ik wist toen wel dat deze haai alleen plankton at, maar heb pas jaren later op films gezien dat ze toch een opengesperd bekkie hebben van een twee meter breed en twee meter hoog, waardoor bij voorbeeld een kikvorsman zo naar binnen gestofzuigerd wordt als hij even niet oppast. Je ziet ze dan ook nooit in de buurt van de bek verwijlen, hoogstens laten ze zich meeslepen aan een vin. Enfin, je bent jong en je wilt wat, dus in een soort reflex deed ik een stukje ham aan een haak en smeet die met een vaart overboord in de richting waar ik de bek vermoedde. En of het beest moet de haak naar binnen hebben gezogen, of deze was „faul hooked" aan zijn huid, maar feit was dat hij ergens bleef steken. Ik denk dat de vis er zelf nooit iets van gemerkt heeft, maar wij des te meer. De reel gierde en krijste, de rook kwam er bijna af. En het is dat John de wijste van ons tweeën was en met een „ben je nou helemaal besodemieterd" de lijn doorsneed. Gelukkig maar, want even later verdween de rugvin en zonder gekapte lijn hadden we waarschijnlijk in een duikbootje gezeten. En ach, kwalijk kon ik het Johannes ook niet nemen. Stel je voor, anders had ik mijn hele schoorsteenmantel moeten verbouwen!