"

Wat een schitterende dag ….

(Rob B, 1996)

 "Wat een schitterende dag!" Rijdend over een land weggetje genoot ik van de vroege voorjaarszon die met succes een aanval ondernam op de kille ochtendmist. De wilde narcissen bogen hun kopje voor een zuchtje wind en talloze vogels bleken op vrijersvoeten in de struiken en bomen langs de weg. "Goeie morgen, narcissen", riep ik uiten boog eens vriendelijk terug, "een schitterende morgen, vogels". "Schitterend"' werd er terug getsjilpt.

Diverse vissen zag ik al het wateroppervlak kussen toen ik mijn spullen uit de auto pakte. Een grote thermosfles met gloeiend hete koffie, smakelijke boterhammen en een doos vol zelf ontworpen kunstvliegen; resultaat van lange winteravonden peinzen en zweten achter de vice. Vervolgens kwam er een helderblauw koord en tien meter ketting te voorschijn, met een anker waaraan een olieplatform een flinke storm kon doorstaan. Ik tuigde mijn nieuwe carbon hengel op (ƒ 600,00) en legde hem voorzichtig in het bedauwde gras. Een flesje whisky, je kunt immers nooit weten, maakte ook deel uit van de benodigdheden.

De oude auto van J, nee namen noem ik dan ook maar niet, mijn visvriend knerpte over het grind van de parkeerplaats. "Een schitterende dag'" riep hij me toe. "Je haalt me de woorden uit de mond'" was mijn antwoord. Een snel bezoekje aan de vriendelijke man in het boekingskantoor voor mijn vergunning en weg was ik. Bij de eerste krachtige ruk aan de riemen wankelde de thermosfles op de rand van het zitbankje tegenover me. Ik vloog overeind om hem te grijpen. Het muzikale gerinkel van de brekende fles werd overstemd door een geheel nieuwe vloek, toen ik op het topeind van de nieuwe hengel stapte.

"Al terug"?, zei de vriendelijke man van het kantoor. "U hebt zeker geen spijkertje en wat snellijm? Ik ben op mijn nieuwe hengel gaan staan", zei ik.

 

Het wateroppervlak werd nu overal doorbroken door springende vis. Voorzichtig lichtte ik de riemen op en liet het anker vieren. Het lichtblauwe koord zag ik nog heel lang in het kristalheldere water en ............verdween. Een oud Chinese zegswijze luidt: "Hij die wil ankeren met een te korte lijn is niet goed bij zijn hoofd. Vooral als hij het einde van de lijn niet aan de boot vast maakt. Ik nam koortsachtig een slok van de whisky-voor-noodgevallen. Tien meter voor de boot rees een vis en ik presenteerde hem een kunstvlieg bovenop de neus. "Toch niet zo'n slechte dag dus", dacht ik terwijl ik naar het net tastte.

Ik zou toch gezworen hebben dat ik het uit de auto had gepakt. De vis ging er vandoor. De noodfles werd tot de laatste druppel geleegd. Weer een stijgende vis, de lijn vloog door de war en stopte halverwege de afstand in de lucht.

"Wéér terug?", klonk de vriendelijke stem. "Ziet u kans om die vlieg uit mijn oor te krijgen?" vroeg ik hem. Terug op de steiger hadden de daar aanwezige zes vissers mijn bebloede oor helemaal niet in de gaten, druk als ze het hadden met het inpakken van hun bag-limit.

"Hou je rustig, geen paniek", de dag is nog lang zei ik tot mezelf, de situatie in ogenschouw nemend.

Zonder anker en net kon ik het beste van de oever af vissen, als ik dan wat zou vangen kon ik tenminste proberen de vis op de kant te trekken. Wel moest ik het meer dwars over roeien om aan de overkant te gaan beginnen. Via de kortste denkbeeldige lijn had ik zo'n slordige 3 kilometer voor de boeg maar het zou zeker de moeite waard zijn. Drie maal is scheepsrecht en dus vertrok ik weer. Na een half uur hard door roeien en pas halfweg begonnen de natuur en de whisky hun tol te eisen en vulde ik het hoosvat bijna geheel. Ik weet nog steeds niet hoe het eigenlijk kon gebeuren -misschien was de wind plots van richting veranderd, misschien was het de whisky-voor-de-nood, maar op de een of andere manier sproeide de inhoud van het hoosvat voor ik het leeg had kunnen gooien over de smakelijke boterhammen.

Door roeide ik.

 Mijn vriend was bezig een reusachtige forel in zijn goed verankerde bootje te landen toen ik passeerde. "Schitterende dag'" galmde hij, "lukt het een beetje?" "Niet slecht'" loog ik. Het bloed druppelde nu zachtjes in mijn nek. Halverwege mijn sprong aan land besefte ik dat ik weer in de fout ging. Voor ik me kon omdraaien was de boot buiten bereik van mijn graaiende handen en dreef nu vrolijk door een school rijzende vis richting overkant. Ik stond daar een lange, lange minuut roerloos - hulpeloos - visloos -ankerloos - netloos, hongerig, dorstig, nog steeds bloedend en nu ook nog bootloos. Ik liep de volle 4 kilometer het meer rond terug naar het boekingskantoortje, alleen even stoppend om tegen een groepje hatelijk buigende narcissen te schoppen.

"U toch niet weer?" klonk de vriendelijke stem. "Ik ben de boot kwijt", zei ik. Mijn Boot dreef net kalmpjes tegen de oever op. Ik pakte wat er nog van mijn uitrusting over was, smeet de lege noodfles naar een rijzende vis, en stierde woest terug naar de parkeerplaats. Mijn vriend die een slordige 10 kilo forel in zijn auto stuwde draaide zich om en glimlachte.

"Schitterende dag! En hoe heb jij het gehad?"

"Ach rot op'" zei ik, de achterklep dichtslaand. Waarmee de andere helft van mijn nieuwe hengel keurig recht werd afgebroken.