EEN IERSE BELEVENIS
(John Piekaar, 1997)

 

Ga mee naar het lage, vlakke gedeelte van de rivier, sprak mijn visvriend R, u weet wel, hij van ik noem geen namen, daar vangen we altijd wel een visje. R sukkelde door terwijl ik riep "ja straks even kijken, ik kom zo."

Ik stond op een oude brug en keek in de diepte naar de rivier die via een weir, wat scherpe bochten en een mooie run uitkwam in een redelijk stromende pool pal voor de brug om vervolgens via ondiep water onder de brug over te gaan in een diep traag stromend stuk.

Ondanks de vallende avond kon ik vanaf mijn plaats de omgeving kilometers ver overzien. Boven de heuvels in de verte pakten donkere onweerswolken zich samen ter voorbereiding van enig natuurgeweld. Na enige minuten zak ik de bliksem met donderend geweld uit de hemel naar de aarde flitsen. De horizon veranderend in een plaats waar goed en slecht elkaar de oorlog verklaarden. De bijbehorende wind en regen verontrustte me niet. Ten gevolge van drainages werd het regenwater al jaren redelijk snel afgevoerd en bracht sinds mensenheu­genis de rivier maar langzaam omhoog.

In de pool, precies beneden voor de brug, zag ik forel van respectabele afmeting zwemmen en alsof er ergens een knop werd omgedraaid kwamen er kringen van stijgende vissen. Ogenblikkelijk had het gebeuren beneden al mijn aandacht. Vergeten was de moeizame en steile klauterpartij naar beneden. Er was vis te van­gen. Grote vis!

Het zweet liep tijdens de afdaling in straaltjes langs mijn hoofd en vormde zo een kennelijke lokgeur voor de beroemde Ierse "Midgets" getuige de zwerm die mijn hoofd en handen als landingsplaats kozen. Het doel in de rivier was een grote enigszins afgeplatte rots halverwege het water, die mij een goede plaats zou geven om op te tuigen en om vanaf te vissen.

Mijn favoriete vlieg voor het vissen in de schemering, een bruine Sedge, was snel aangebonden. Het water kookte. Overal zag je Sedges op het water en etende forel. Mijn eerste worp bracht al een forel van ruim twee pond in het net, die de diepte van het water als strijdtoneel gebruikte en zodoende de foeragerende vissen aan de oppervlakte niet verstoorde.

Naast een dode boom die schuin over het water hing zag ik een grote vis stijgen. Ik waadde voorzichtig een meter of vijftien stroomopwaarts en wachtte of de vis opnieuw zou stijgen. Dat gebeurde op het moment dat een Sedge zich langs de boom liet drijven in afwachting van het drogen van zijn vleugels.

Mijn lijn vloog door de lucht en landde exact inde roos. Een kleine beweging met de top van de hengel om de lijn te menden en een ferme aanbeet volgde. De forel nam in één schot stroomopwaarts zowel lijn als bijna alle backing mee zodat ik het water in moest om mee te waden. Vervolgens keerde de vis en maakte een vlucht richting ondiepte en kwam nu rechtop mij af. Van voorzichtig waden kwam nu niets meer, ik moest terug naar de rots waar ik had opgetuigd. Vandaar zou ik mis­schien de vis onder controle kunnen krijgen en wellicht het gevecht in mijn voor­deel kunnen beslissen. Moeizaam klom ik terug op de rots de lijn zo strak moge­lijk houdend. De forel was nog lang niet verslagen en toonde dat hij van de explo­sieve kracht van direct na de aanbeet nog niets had ingeboet.

De duisternis was intussen volledig ingevallen met een dikke klammige benau­wende atmosfeer die er de oorzaak van was dat al mijn kleding plakkerig aan mijn lichaam hing. Plotseling werd ik me er van bewust dat het weer nu wel erg slecht was geworden en dat het onweer snel dichterbij kwam. Mijn vriend R, nee zijn naam noem ik niet, zou nu wel lekker bij de openhaard aan de thee met rum zitten, flitste het synchroon met een bliksemstraal door mijn gedachte.

De forel verloor nu snel terrein alsof de thee met rum hem ook wel aansprak en na enige minuten kwam hij voor het landingsnet. Nauwelijks had ik mijn "hoofd­prijs", ik schatte hem ruim zes pond, in het net toen er van achter de bocht in de rivier een mysterieus gedonder aankwam. Binnen enkele seconden zag ik een anderhalve meter hoge muur van wild schuimend water op me afkomen. Het was onmogelijk om in fractie van een seconde de veilige kant van de rivier te bereiken en klom vervolgens zo hoog mogelijk op de rots. Al mijn spieren trilden en ondanks de klamme hitte van de avond leek het alsof ik bevroor. Dit is het einde, flitste het door mijn hoofd. Vissend doodgaan mag dan niet de slechtste manier zijn om te gaan maar waarom nu, ik voel me nog zo jong.

Alleen het bovenste puntje van de rots stak nog boven het voorbij gierende water, en ik begreep dat als het laatste stukje onder water zou verdwijnen de zolen van mijn waadpak veel grip zouden verliezen.

Was ik nu maar met mijn vriend R, nee namen noem ik niet, meegegaan naar het vlakke deel van de rivier, dan was ik nooit in deze heksenketel terecht gekomen en had ik nu waarschijnlijk ook aan de rum gezeten.

De rivier steeg nog steeds en langzaam zag ik het topje van de rots ook onderwa­ter verdwijnen. Op het moment dat mijn hengel, tas, net met vis opmerkelijk zwaar op mijn schouders begonnen te drukken hoorde ik een luid gekraak en zag ik de dode boom compleet met takken en struiken de rivier in glijden en koers zetten naar het middengedeelte van de rivier en dus op ramkoers van mij. Binnen een seconde overvoer de boom het rotspuntje en sleurde mij mee het water in. Wonder boven wonder kwam ik enigszins in zittende houding op de stam terecht en vond ik steun voor mijn handen waarin ook nog mijn sage geklemd zat.

De boom kwam gelukkig iets dwars op de stoom en bleef in eerste instantie tegen een van de pijlers van de brug hangen. Er keerde enig vertrouwen terug in een goede afloop. Het werd hier immers snel minder diep. Een schok zette de boom opnieuw in beweging, hij draaide wat en vervolgde nu zijn weg in het kolkende water over het gedeelte dat een paar minuten eerder erg ondiep was geweest. Ik besloot in een fractie van een seconde nu van de boom af te springen want de rivier zou na de ondiepte snel dieper worden om na enige honderden meters gevolgd te worden door een nieuwe weir.

Op dat moment werd de beslissing voor mij genomen. Een flinke schok ging door de boom en voor ik wist wat er gebeurde werd ik gelanceerd en een seconde later zat ik tot aan mijn middel in het sleurende water. De boom, die waarschijnlijk mijn leven heeft gered draaide van de rots weg waartegen hij was aangebotst en ver­dween in no-time in het donker van de nacht. Ik grabbelde mijn spullen bij elkaar wankelde naar de oever en klauterde de kant op naar de brug.

Terug in de Lodge riep R, u weet wel, hij van geen namen, zonder op te kijken van­achter een tijdschrift met mok heerlijke warme rum-thee in zijn hand: "Heb je geen last van het slechte weer gehad? Heb je nog wat gevangen? Ik heb er twee van ruim een pond per stuk. Kijk maar in de keuken".

Voor het eerst in mijn leven had ik geen antwoord. En mijn super vangst kon ik hem ook al niet laten zien. Waarschijnlijk zwemt hij nu nog ergens in de rivier want ont­snappen uit een verloren landingsnet is niet zo moeilijk, gevangen zal hij ook wel nooit worden want laten we nou eerlijk zijn wie is er nou zo stom om die steile kant af te strompelen als er een paar honderd meter verder een prachtige toegang is.

In de jaren na dit avontuur heb ik nog vaak op de brug naar een bepaalde plek in de rivier staan staren. Op de plaats waar de dode boom heeft gestaan zie je nu een groot diep gat in de oever. Tegen schemer zie je er vaak hele grote kringen van een stijgende forel!