Nazomeren in Ierland
(Rob B, 1997)

 

Teneinde steeds sterker wordende stressgevoelens adequaat het hoofd te bieden, besloot ik tot een drastische ingreep: in mijn dooie eentje een kleine 14 dagen in september naar Ierland, voor de back-end salmon fishing. Want, zo had vriend Michael, in wiens gastvrije B&B wij al jaren verblijven, gezegd, het eind van het seizoen is al jaren fantastisch. Grote zalm, die in uitbundige overvloed acte de préséance geeft op de Moy.

Ik had natuurlijk beter moeten weten. Na zenuwachtige voorbereiding - het komt bij mij altijd op het laatste uur aan en dan smijt ik de spul­len die nog van de vorige vakantie staan ingepakt, in de auto - speerde ik om 6 uur 's ochtends VIaardingen uit. Evenwel niet nadat ik de laatste vijf minuten voor ver­trek mijn reservesleutel voor de auto en mijn inmiddels door het vorige verhaal beruchte valutamapje had kwijtgemaakt. Het laatste is inmiddels weer boven water, de eerste nog steeds zoek.

Op de snelweg naar Lille waren door werkzaamheden maar twee rijbanen beschik­baar. Op de rechter reed een vrachtwagencombinatie en een twintig meter daar achter was ik hem op de linkerbaan aan het inhalen. Maar voor de met de koplampen knipperende flitsende BMW achter mij echter niet snel genoeg. Als een ware Schumacher schoot hij achter me vandaan naar rechts om zich met een sling-slang beweging tussen mij en de vrachtwagen te manoeuvreren. Met een subtiele voet­beweging op mijn gaspedaal drukte ik het gat dicht en onze Schmumacher, net bezig aan het slang-gedeelte van zijn manoeuvre, had alle moeite om niet à la Verstappen in de grindbak te belanden. Ik schonk hem een vriendelijke grijns toen hij mij even later luid toeterend voorbij knalde, kennelijk om mij te attenderen hoe fraai zijn middelvinger wel niet gemanicuurd was. In standplaats Ballina aangeko­men zag ik dat de Moy bijna buiten zijn oevers was getreden door de hevige regen­val van de laatste weken; dat zalmvissen kon ik voorlopig wel vergeten. Daarom besloot ik me de eerste dag maar aan de forelvisserij te wijden; vlakbij de B&B stroomt een mooi riviertje dat volgens zeggen in september stijf moet staan van de bruine forel. Zo sloop ik met een 7 voetshengeltje met een verleidelijke sedge langs de oever, presenteerde de vlieg zo professioneel dat ik er zelf wel op had willen duiken en... niets, noppes. Een natte vlieg dan..niets. Een nimf, weer een andere nimf, helemaal hopeloos niets. Nou ja, je bent leuk bezig, denk je dan altijd maar.

De volgende dag was het waterpeil nog steeds overtuigend hoog, dus was het tijd om Freddy te gaan bezoeken. Freddy is een gezellig bolronde Ier, het zou familie kunnen zijn, en hij is al meer van vissen en vliegbinden vergeten dan ik ooit te weten zal komen. Nu is dat laatste natuurlijk geen kunst. In de zomermaanden huurt hij een kleine cottage in de bergen langszij Lough Conn en verdient de kost door wat te gidsen en te roeien voor vliegvissende toeristen. Daarnaast bindt hij wonderbaarlijk mooie vliegen en dat levert hem ook nog eens een centje op. Zijn gezelschap is immer plezierig, stijf als hij staat van de verhalen over Ierland, haar bewoners en hun eigenaardigheden. Op mijn voorstel om wat te gaan toeren ging hij grif in, We besloten richting Connemara te gaan rijden. De eerste stop was de Belckire River bij Westport, die zoals oudere leden wellicht nog weten, het privé-viswater van onze club is. Ook hier was het water hoog, maar niet te, en het stroomde snel. Ideaal, zo leek het. Ik besloot het met een Bibio te wagen, een dode­lijke vlieg op dit riviertje, met een goede kans op een zalmaanbeet of van een heel grote zeeforel. 'Zo niet deze middag. Ik ging door en door, omdat ik onder de ogen van zo'n prof niet wilde afgaan. Maar dat gebeurde toch en zo vervolgde ik na een uurtje of twee knap sikkeneurig onze tocht. De schoonheid van het landschap had evenwel ook op mij een opbeurende werking en het goedgehumeurde gebabbel van Freddy deed de rest. Maar praten maakt dorstig en op mijn voorstel om op Ballinahinch Castle uitgebreid te gaan tea-en ging hij gretig in. Het kasteel is vrij klein, maar omgetoverd tot een uiterst comfortabel en exclusief hotel en bij het openduwen van de deur naar de lounge werden we verrast door een laaiend haard­vuur. De twee sleetsere fauteuils ervoor waren net leeg dus zakten we daar behaaglijk neer. Om ons heen eeuwenoude zwart berookte lambriseringen waaraan foto's uit het begin van deze eeuw van zwaar besnorde heren met greenheart hen­gels en zalmen waar je nu alleen nog maar van kan dromen. „Natuurlijk kunt u thee krijgen heren en wilt u daar soms een platter vers gerookte zalm en sodabread bij? Lang liet ik mij niet bidden en ik moet zeggen, het was een tongstrelende delica­tesse, zo lekker eet ik ze verder alleen maar bij Vincent, onze eigen zalmroker. Natuurlijk maakte de ambiance dat het dubbellekker smaakte. Maar daarvoor was ik natuurlijk niet alleen naar Ierland gekomen en zo toog ik de volgende dag naar de River Deel, om daar wat forel te belagen. Daar aangekomen merkte ik dat ik mijn waadstok was vergeten, dus kon ik eerst even naar de B&B (20 km) terug om ze op te halen. Maar toen kon ik eindelijk gaan waden, net zoals we zo vaak doen op de Duitse rivieren. Ik besloot stroomafwaarts te vissen en er weer een nat geviste bibio aan te wagen. Dit bleek een juiste keuze: in een uurtje of drie  vissen   had   ik  zo'n   20-25   forellen,   in   lengte  tussen   20  en   30 cm. Zielstevreden reed ik laat in de middag naar huis: die beloofde back-end sal­mon liet het nog steeds afweten, maar ik had tenminste wat forel gevangen. Bij het binnenrijden van Ballina genoot ik van de prikkelende turflucht die uil tal van schoorstenen opsteeg. Hmm, daarom smaakt de poteen, de illegaal gestookte whisky, altijd zo goed, met zo'n waanzinnig filter.

Eindelijk zou ik het vandaag dan gaan proberen. De rivier de Moy begon een beet­je te zakken en in het voorjaar had ik hogerop de rivier vliegviswater ontdekt om je vingers bij af te likken. Honderd meter breed, diepe pools, ruisende stroomver­snellingen, ja daar was de rivier landschappelijk heel wat mooier dan in Ballina zelf, waar het Canal, de naam zeg het al, uitmondt in de Ridge Pool. Helaas was dat stuk waar tot voor kort niemand viste, inmiddels ook al ontdekt door de nodige Duitsers en Fransen, maar gelukkig was er toch nog genoeg ruimte over om een beetje privé te vissen. Stap voor stap viste ik twee mooie pools af, waar ik zo'n vier uur over deed: niets, noppes, geen slootje en ik zag ook nog niets springen. Maar dat deed er op dat moment niet zoveel toe, ik genoot van mijn een zijn met de natuur en de stille ruis van de rivier. In de namiddag besloot ik naar de Ridge pool te rijden om te zien hoe de 'gelukkigen' die er die dag mochten vissen het er vanaf brachten. Nu, het was net zo als in de afgelopen twee weken: ook daar werd niets gevangen. Grijnzend luierde ik achterover op het bankje, een heerlijk pijpje smorend. Het was een lekker gevoel hier vandaag geen 150 pietermannen te hebben neergelegd om te mogen vissen. Het was fijn in het zonnetje en al snel was ik ver­zonken in een van mijn meegebrachte Elseviers. Plots werd ik wreed opgeschrikt uit een artikel over nog grotere wreedheden begaan in Bosnië, door een kreet van John, de ghilly van de Ridge Pool. Vissend met een zwarte Flying Condom, had hij een afzwaaier geproduceerd, die kennelijk precies voor de bek van een zalm terecht was gekomen. Negentien pond haalde de bijna roetzwarte vis op de weeg­schaal, waarna het beest weer voorzichtig in het water werd gedeponeerd. „Eh, zijn er nog afzeggingen voor morgen", probeerde ik grappig te zijn, maar met een half-serieuze ondertoon. „Als dit bekend wordt gegarandeerd niet", is zijn gortdroge antwoord.

Warm, zeer warm is het als ik de andere ochtend opsta en met een relaxed gevoel besluit ik de vis de vis te laten en een tocht te maken door de Bangor Area, een gigantisch verlaten gebied vol turfvelden ten westen van Ballina, omzoomd door bergen, zee en steile klippen. De lucht is vervuld van volzomerse kruidengeuren met uiteraard een zweem van turf en het zicht is wat heiïg, zodat bergen en zee in eenzelfde blauwwarm waas zijn gehuld, alsof moeder natuur vandaag aquarelleer-de met vriendelijke weemoedige tonen die me op de een of ander wijze aan mijn reeds lang voorbije jeugd deden denken. Vrijwel naadloos sloot daarbij een neolithische site aan, waar ik ook nog wat mijmerend naar de opgravingen van twee vriendelijke archeologen zal te kijken. De warmte en weemoed van deze streek hadden kennelijk al duizenden jaren geleden mensen tot vaste bewoning weten te brengen. En nog steeds lijkt het, gelukkig, of de Ier zich nooit van zijn navelstreng aan zijn geboortegrond kan losmaken. Maar ook ik heb het idee van: hier hoor ik, hier wil ik wonen. Of het er ooit van komt?

Na een mooie tocht arriveerde ik weer in Ballina, waar mijn stemming me onher­roepelijk in de richting van een kroeg dirigeerde. Het werd uiteraard Doherty's pub, een verzakt, scheef leunend etablissement, waar de moderne tijd vergeefs haar klauwen naar uitslaat en dat tot slechts een versnapering noodt: een onvervalste en onversneden pint Guinness, waar ik normaal helemaal niet van houd, maar die me nu, ijskoud en met tot room geslagen manchet me bijkans kan ontroeren. Romantisch wordt het zelfs later buiten, als ik een bankje langs de rivieroever bezet en over het donker wordende water naar het stad je staar. Brug en kerk gewor­den tot een silhouet, vaag oplichtend met wat pinkellichtjes. De andere ochtend is het water nog niet zover gedaald dat vliegvissen verantwoord is, maar daar is wel een antwoord op. "Fïshing the bubble fly".

Vliegvissen met een buldo. Buldo onderop met een metertje daarboven een vlieg aan de zijlijn. Dwars over de rivier gooien in de stroom laten draggen. Werkt fan­tastisch, want ik zag er diverse gevangen worden. Alleen mijn vlieg was uiteraard weer niet interessant genoeg.

Langzaam liep ik op het modderige paadje langs de rivier: ingooien, binnen draaien en weer een metertje verder. Tot plots het modderige paadje onder mijn voet afbrokkelde en ik voorover en zijdelings in de rivier stortte. Tijdens de val raakte ik met mijn knie nog vol de scherpe rand van een steen, zodat mijn krampachtige bewegingen om boven water te blijven ernstig werden belemmerd door een ste­kende pijn. Maar een stukje verderop kon ik gelukkig op een ondiep stukje de oever op krabbelen. Inspectie van mijn zakken leerde me dat mijn mooie Zwitserse zakmes verdwenen was, dat was weggeglipt en uiteraard gezonken. Mijn twee mooie doosjes met zalmvliegen dreven gelukkig wel, ik zag ze tenminste nog net in het midden van de stroom richting zee verdwijnen.

Veel te snel moest ik me weer losscheuren van mijn geliefde tweede vaderland, en de boot richting Frankrijk opzoeken. Had ik op de heenreis al een onaangename verkeerservaring; de terugreis deed daar zeker niet voor onder. Op de Route National wilde ik, met een snelheid van een dikke 120 kilometer een andere auto gelegenheid bieden me in te halen. Ik ging echter zo ver naar rechts dat mijn twee rechterwielen in de berm kwamen en mijn auto totaal onbestuurbaar werd. Wanhopig van links naar rechts slingerend probeerde ik de wagen weer onder con­trole te krijgen, elke seconde vrezend dat hij over de kop zou gaan. Maar na, naar ik denk, zo'n twee, driehonderd meter had ik hem in bedwang en kon ik parkeren. Ik heb daar wel een kwartiertje met mijn hoofd op het stuur gezeten voordat ik weer durfde starten en wegrijden. En, bijna in België, werd ik bijna nog het slacht­offer van het Franse-teruggeven-van-wisselgeld. Ik had iets te eten gekocht en betaalde met twee biljetten van 20 franc. Ik kreeg 2 franc terug, wel wat veel, dacht ik nog, en keek bij de auto het recuutje even na: 18 franc. Ik terug, maar de dame bij de kassa hield bij hoog en bij laag vol dat ik maar 1 biljet had gegeven. Nu had ik voor de vakantie bij de bank allemaal nieuwe biljetten van 20 franc gekregen. Eens kijken of die soms opeenvolgende nummers hadden. Ja, hoor! Chef er bij gehaald om mevrouw te sommeren de biljetten uit de geldlade te laten zien. Met een vuurrode kop toverde ze twee biljetten te voorschijn die naadloos aansloten bij de mijne.
 Zoiets zal je in Ierland toch niet snel overkomen.