Het ontwerpen van vliegen
(Yme D, 1998)

 

 Het binden van vliegen heeft als doel de vis te verleiden tot bijten in een imitatie van zijn voedsel. Om succesvolle patronen te ontwikkelen en te maken is het belangrijk iets te begrijpen van de vis en zijn prooi.

 Wat vissen zien
De lichtgevoelige laag of retina in het oog van de vis bevat zowel staafjes als kegel­tjes. De staafjes zijn gevoelig voor zwart-wit en de kegeltjes voor kleur. De kwaliteit van het beeld wordt bepaald door de hoeveelheid van deze staafjes en kegeltjes in het oog van de vis. Hoe meer van deze structuren, hoe beter het beeld. In de oog van een vis zijn deze hoeveelheden beduidend lager (14 keer) dan bijvoor­beeld de mens. Het beeld dat een vis heeft, is dus van eer veel lagere kwaliteit in vergelijking met dat van een zoogdier. En dat is maar goed ook, want een vis zal zeker niet in een nimf trappen met een nylon draad aan zijn neus en een krom stuk staal aan zijn achterste.

 

 Hoewel het beeld niet optimaal is, de gevoeligheid voor contrast en beweging is echter extreem goed ontwikkeld. Een vis zal dus zeker niet de details van de kieuwen van een meivlieg-nimf zien, maar de beweging van deze kieuwen zal hem niet ontgaan.
Een vis zal niet happen in een vlieg die 'drag' vertoont, een onnatuurlijke beweging. Dit kun je goed merken op stromend water. Indien de leader aan de vlieg gaat trekken kun je een aanbeet wel vergeten.

 Impressionistisch ontwerp

Omdat de vis een relatief slecht beeld heeft, zal het weinig zin hebben om met zeer realistische imitaties (steenvliegen van bijvoorbeeld Nathan Drohm of Nico Slingeland) te vissen.  Om succesvol te vissen kun je volstaan met een impressie van de vlieg en niet een exacte kopie ervan.

 

Net als impressionistische schilders als Monet en Renoir is een vis niet geïnteres­seerd in een fotografische weergave van het beeld, maar uitsluitend in de weergave van de essentie van het object, dus eigenlijk datgene wat het herkenbaar maakt. Het uitgangspunt zal dan ook moeten zijn dat de vlieg (voor het vissen) een goede indruk moet geven op de vis en niet op de visser of zijn vismaten. Natuurlijk is het binden van realistische vliegen een vak / hobby apart en erg kun­stig, maar om mee te vissen minder succesvol. Daarnaast kost het erg veel tijd, tijd die je beter kunt besteden aan vissen.

In het boek van Gary A. Borger wordt hierover het volgende gezegd: The flies used for so discriminating a fish as the trout should, first of all, have the appearence of life"

Deze uitspraak is in Amerika dan ook daadwerkelijk gestaafd met allerlei experimen­ten waaruit de volgende conclusie werd getrokken: Vis pakt een prooi uitsluitend op basis van afmeting, vorm, kleur en gedrag.

 Opportunistisch voedselgedrag
Opportunistisch voedselgedrag van vis vindt plaats in bepaalde periodes die op een willekeurig tijdstip van de dag of het seizoen voor kunnen komen. Deze periodes worden gekenmerkt door een zeer beperkte aanwezigheid van (een bepaalde soort) insecten en onregelmatige voedselactiviteit van de vis  De vis wil voedsel en eet dan ook alles wat hij ziet. En hoewel afmeting, vorm, kleur en gedrag een grote rol speelt, maakt het hem niet uit wat de vorm, kleur, afmeting of het gedrag van het aas is. Op deze tijdstippen wordt alles gepakt wat door hom als voedsel wordt ervaren : beetverklikkers, een takje, een pluisje on sigarettenpeuken. Overigens is de ene vissoort opportunistischer dan de andere. Karpers en brasems zijn vreselijke vreetzakken en eten bijna alles wat voorhanden is. Op een kalkrivier in Engeland of Frankrijk zie je juist weer het tegenovergestelde.

De afmetingen van het aas

Afmeting kan een bepalende factor zijn gedurende het opportunistische voedselge­drag. Tijdens deze tijden geldt de regel : groot aas, grote vis.  De vis is dan niet geconcentreerd op een bepaalde voedselsoort, maar pakt vooral grote prooien om veel energie te verkrijgen. Wanneer je op deze wijze gaat vissen zal je echter weinig kleine vis vangen door het grote aas. Als je zeker weet dat er weinig grote vis is, kun je beter met kleiner aas gaan vissen om wat meer kleinere vis te vangen.

De vorm

De vorm van het aas moet in ieder geval overeen komen met de aassoorten die de vis gewend is te eten in zijn omgeving. Dit geldt met name in tijden dat de vis selec­tief aast. Tijdens opportunistisch aasgedrag maakt de vorm niet zoveel uit. Op het Oostvoornse meer kun je dit goed zien als je vist met zalmeitjes. De forel die op dit water voorkomt heeft nog nooit een zalm gezien (hopelijk komt dat nog een keer), laat staan een eitje ervan. Toch is dit een van de meest succesvolle patronen voor dit meer.

Kleur

'Onderwater vliegen' gebonden met flitsende materialen erin verwerkt (tinsel of flashabou), iriserende kleuren (pauwstaart) of fluorescerende (glow-bug) materialen vangen heel goed gedurende opportunistische perioden omdat zij sterk opvallen ten opzichte van de achtergrond.

Bij grotere diepten wordt het licht door het water volledig geabsorbeerd. In zoet water is al het licht volledig verdwenen op een diepte van 12 meter. Rood licht is reeds verdwenen op een diepte van 1,2 meter en blauw licht pas op een diepte van 12 meter. Om deze reden is een rode streamer op geringe diepte al snel grijs en verder naar beneden zelfs zwart. Ook op deze grotere diepten is het gebruik van de bo­vengenoemde materialen in het voordeel, omdat zij het nog aanwezige licht maxi­maal reflecteren en in het geval van fluorescentie, licht uitstralen bij een andere golflengte (een soort black-light effect in de disco).

Het gebruik van een klein toefje rood (zoals een red tag) of een pietsie fluorescerend materiaal in de body van een (droge) vlieg kan om deze reden vaak wonderen doen.

Het gedrag

Het gedrag van de vlieg noemen we vaak de actie. De snelheid waarmee het aas gevist wordt valt hier ook onder, alsmede het geluid dat de vlieg maakt.De actie van een vlieg wordt in belangrijke mate bepaald door de snelheid waarmee hij wordt gevist, hoe hij aan de leader is geknoopt, het materiaal waaruit hij is opge­bouwd en de gewichtsverdeling van de vlieg.
Vis krijgt bijtneigingen van onregelmatige bewegingen van het aas. Een nimf gebon­den aan een lijn 22/100 is erg statisch en zal weinig vangen.

Voor een aantal soorten is de snelheid van het aas wel van heel groot belang. Fint, makreel en baars zijn hier goede voorbeelden van. Als je in de polder baars wilt vangen moet je de nimf snel voeren. Bij een kleinere 'stripsnelheid' vang je overwe­gend voorn. Bij forel kun je hier minder duidelijke uitspraken over doen. Een zalmei­tje kun je bijna statisch vissen, hoewel je dan weer op andere dagen juist wat sneller moet vissen. Het is een goede zaak om te variëren in je stripsnelheid totdat je de beste methode hebt gevonden.

De knoop waarmee de vlieg aan de lijn is geknoopt kan ook bepalend zijn. Marti van de B. heeft dit duidelijk gedemonstreerd op de club met zijn plugjes en de waterbak. De actie en presentatie van het aas moet in ieder geval natuurlijk overkomen en de vis de indruk geven dat het een prooidiertje betreft.

Ook het geluid is van groot belang. Het geluid wordt waargenomen door de zijlijn van de vis. Experimenten tonen aan dat forellen in staat zijn om 'geblinddoekt' nimfen te pakken in een testbak. Het geluid van de zwemmende nimfen is genoeg voor de forel om ze te lokaliseren en te eten.

Op stromend water kun je vooral bij kopvoorn het effect van geluid op hun aasgedrag waarnemen. Een grote sprinkhaan-imitatie die hard op het water valt is dan ook een dodelijk aas.Ook voor black-bass is geluid een belangrijke trigger. Poppers die hard over het wateroppervlak worden getrokken maken een plekkend geluid en een aanval laat niet lang op zich wachten.

Selectief voedselgedrag

Selectief voedselgedrag is een ander verhaal. Selectief azen door de vis vindt plaats indien er een overvloed van een specifieke aassoort is. Een hatch van een bepaalde soort vlieg zorgt ervoor dat de vis uitsluitend op deze vlieg aast en al het andere links laat liggen.
Selectief aasgedrag lijkt een van die trucs van moeder natuur. Waarom pakt een forel die kleine vliegjes waarvan
er honderden zijn wel en die ene grote dikke bromvlieg (hoe dikker des te meer energie) niet ?
Gedurende deze selectieve periode zal de vis zijn energie niet verspillen aan het heen en weer zwemmen om
alles te pakken, maar rustig op zijn plekje blijven liggen om zijn buik rond te eten Op deze manier verspilt hij weinig energie aan het verza­melen van (ook niet-eetbaar) voedsel

Het is bekend dat forel op bepaalde perioden zelfs alleen maar ei-leggende meivliegen pakt of duikende caddisvliegen. Het kan de vliegvisser tot uitzinnige waanzin brengen, maar indien het juiste patroon is gevonden ook tot supervangsten leiden. Selectiviteit is geen overwogen beslissing van de vis. Als het specifieke voedsel veel voorkomt, zal hij zich trainen in de herkenning ervan en daarna fixeren zonder daarbij na te denken.

De vorm, het gedrag, de kleur en afmetingen zijn juist in deze selectieve periode zeer belangrijk voor de vis. Velen hebben de mening dat juist nu het meest opval­lende kenmerk (ook wel het primaire kenmerk) van het aas tot uiting moet komen in of vorm, of kleur, of gedrag of afmeting. Dit kenmerk bepaalt of de vis het aas aantrekkelijk vindt of niet. In het voorjaar op het Oostvoomse meer zie je dat bij inwaaiende bibio's. De vis aast selectief op deze vliegen en andere patronen scoren beduidend minder. Het meest opvallende kenmerk (vorm ?) zet de vis aan tot bijten. Overigens moeten de andere kenmerken (3 secundaire kenmerken) ook wel klop­pen, anders verdwijnt de forel, na het controleren van het aas, met opgetrokken neus de diepte weer in.

 Snoeken kunnen ook van die 'kat uit de boom kijkers' zijn op bepaalde dagen. Met de neus bijna op de streamer meezwemmend lijkt het wel of zij deze secondaire kenmerken niet vertrouwen.

Weersomstandigheden en een eventuele stroming in het water spelen natuurlijk ook een belangrijke rol hierbij. Bij spiegelglad water zal de vis de vlieg beter kunnen inspecteren op de secondaire kenmerken en een weigering zal derhalve eerder optreden

Tot zover de informatie die het boek "Designing trout flies" van Gary A.Borger mij gaf. Een schitterend boek van een van de 'hote-me-toten' van het vliegbinden en vissen in de US. Deze kennis vormt de basis voor een ieder die in elke omstandigheid en met een minimum aan materialen een succesvolle vlieg wil maken.