Twee en een halve maand naar Ierland
Al is
de geluksvogel nog zo snel, het bullisme achterhaalt hem wel.

(Rob B, 1998)

 

Voorspel

Noem het een vingeroefening in Bullisme, maar de gloednieuwe GSM die ik speciaal voor de 2,5 maand durende lerlandvakantie had aangeschaft bleek uiteraard stuk. Eert nieuwe gehaald, maar ook deze bleek voor de rest van mijn vakantie voor de nodige problemen te zorgen: juist de verbinding met de GSM van mijn geliefde Charley bleek nimmer tot stand te kunnen komen. Lekker rustig, zult u zeggen, maar toch!

En een weekje voor ik vertrok sneuvelde mijn Orvis CFO III op het Oostvoornse meer, ik brak de voet eraf en het ding kon meteen in de vuil­nisbak. Ongelukje, maar toch!

  

Op 13 mei vertrok ik naar Holyhead in Wales, alwaar ik te horen kreeg dat de ferry naar Dublin 3 uur vertraging had. Zodoende kwam ik pas na middernacht in Dublin aan, waardoor ik genoodzaakt was het eerste het beste hotel binnen te vallen. Aldaar werd ik voor 55 pond, ca. 160 gulden geknipt en geschoren. Is dat zou zo erg? Nee natuurlijk niet, maar toch!

De volgende dag vertrok ik naar Avoca om daar foto's te maken voor Hans Vrijhof. Want de serie Ballykissangel is hier opgenomen en hij is er een heel grote fan van. Ik had nog geen penny Iers geld op zak, want in rekende er op tijdens de 60 km naar Avoca wel ergens een flappentap tegen te komen. Nee dus. In Avoca bleken zowel de batterij van mijn camcorder als mijn camera leeg. In mijn camcorder zat zelfs een gloednieuwe batterij die ik voor vertrek zorgvuldig had opgeladen. Geen foto's en geen film dus. Is dat nou zo erg? Nee hoor, maar toch!

De rest

Op weg naar het Delphi systeem, waar ik mijn eerste week ga doorbrengen, overnacht ik in een B&B bij Maam Cross. De enige andere gasten zijn een aar­dig Amerikaans echtpaar, waarvan de man beroepscomponist is. Hij zegt dat hij erg door deze omgeving wordt geïnspireerd bij zijn werk. In de Lodge aangekomen word ik gastvrij ontvangen door eigenaar Peter Mantle. Hij vertelt me dat de rivier aan het zakken is, hetgeen uiteraard gun­stig is voor eventuele vangsten.

Bij het uitpakken van mijn bagage blijkt dat ik uiteraard iets vergeten ben, mijn tackle box, door lenende vrienden vaker draagbare tackleshop genoemd. Loodjes, haken, spinners, lepels, je kunt het zo gek niet opnoemen, allemaal vergeten. En ook mijn ambassadeur werp-reel, speciaal voor trollend vissen gedacht, blijkt nog in Nederland te liggen. Ondertussen vermaak ik me uitstekend in mijn gehuurde cottage: schitte­rende slaapkamer, badkamer, grote eetkeuken en gezellig gemeubileerde woonkamer met een gigantische open haard. Heel de week wordt hier des avonds fikkie gestookt, gelezen en een natje genipt. Heerlijk! Ook krijg ik elke dag gezelschap van een roodborstje dat door de open deur naar binnen vliegt en de kruimeltjes van de ontbijttafel komt pikken.

Op weg naar Louisburgh voor wat inkoopjes stuitte ik bij het meer Doolough op tientallen wandelaars die een gedenktocht bleken te houden. Precies 150 jaar geleden was er een grote hongersnood in Ierland doordat een aantal jaren achtereen door schimmelziekten de oogst was mislukt. Er zijn toen mil­joenen Ieren gestorven of naar Amerika geëmigreerd. Ook in Louisburgh sloeg de honger toe en de bevolking besloot naar de op 40 km afstand gele­gen Delphi Lodge te gaan lopen om aan de toenmalige Lord Sligo wat te eten te vragen. Deze weigerde hardvochtig en de mensen begonnen onverrichter-zake aan de terugtocht. Lopend over het hooggelegen pad langs Doolough stortte daar door de voortdurende regen de bergwand in en meer dan 100 mensen werden bedolven of verdronken.

Gelukkig ziet de omgeving er nu wat vriendelijker uit en welgemoed begin ik de volgende ochtend te vissen op Doolough: trollend met wat nieuw aan­geschafte lepels. Zonder enig resultaat en hetzelfde gold voor het vliegvissen op de rivier Bandoraragh later die dag.

Ook het vissen op Finnlough blijft die week zonder een enkel resultaat. Gelukkig blijken de andere gasten ook niet zo gelukkig, zodat ik tenminste niet alleen ben.

Vlak voor de vakantie heb ik een bellyboat aangeschaft en mijn wens om deze 's avonds eens op Finn Lough, voor de deur van de Lodge uit te probe­ren, bevalt Peter Mantle zeer. Er heeft hier nog nooit iemand met een bel­lyboat gevist en als je vanavond een zalm vangt zal ik dat zeker in mijn column voor Trout & Salmon verwerken." Dus de bellyboat 's ochtends kei­hard opgepompt, maar wat had ik er de pest in toen de bellyboat s avonds lek bleek te zijn. En ga dat dan maar eens vertellen aan een tiental Engelsen met stiff upper lip die zich na het diner al op het piertje had verzameld om dit fenomeen eens te aanschouwen!

Na de eerste week verkaste ik naar het zuiden om een dag of vijf op Lough Currane te gaan vissen, Dit meer staat bekend om zijn grote zeeforel. Een week geleden deed de vis het nog heel goed, zo kreeg ik bij aankomst te horen, nu is het wat minder. Hoeveel minder begreep ik na die vijf dagen, die voorbijgingen zonder dat ik een enkele aanbeet te verwerken kreeg. Er was een boot waarop een forel van 9 pond en dan nog twee van 4 en 4,5 pond werd gevangen. Dat staat dan later leuk in het fishery report van Trout and Salmon, maar dan wordt er gemakshalve wel vergeten dat er nog 20 andere boten op het meer waren, die niets vingen. Bovendien was het weer allesbehalve plezierig: gure regenvlagen en een snoeiharde wind: leuk dobberen hoor!

Op naar het noordwesten van Ierland: naar thuishaven Ballina. Lough Conn had nog nooit zo goed gevist. Ja, zeker nu de herfst net was ingevallen. Het was te koud, de vis bijt niet meer. Voor de Ridge Pool was er te veel water, de grilse run is nog niet op gang gekomen. Het geijkte rijtje smoezen werd weer uit het grote leugenboek opgehaald.

Ik begon met een Dagje vissen op de Moy. Met een garnaal, hetgeen weer was toegestaan. Nou, zelfs dit wondermiddel faalde. In Ballina verdeelde ik mijn tijd tussen Lough Conn, de Moy, de Ridge Pool en de Cathedral Beat,. En alles vergeefs. Ik had zo de pest in dat ik blij was dat Michael , vriend, gastheer en tackleshop dealer, mijn ticket voor de Cathedral Beat kon slijten aan een groepje Schotten.

Zelfs Michael, die echt een kei in het vliegvissen op zalm is en met wie ik de tickets voor de Ridge Pool deelde, zag geen kans een vis tot aanbijten te verleiden, hetgeen hem behoorlijk frustreerde en opmerkingen ontlokte dat dat Bullisme zich toch behoorlijk aan het verspreiden was. Ja dat Bullisme hield zich nog niet geheel in, want op een ochtend haalde ik mijn eenhandige Ballinahinch zalmhengel uit de koker en bleek deze net boven het hand­vat vier lengtescheuren te vertonen. Ik heb met wat secondelijm gelukkig nog een noodreparatie kunnen verrichten, maar blij was ik er niet mee. 's Avonds ging ik Michael tegen sluitingstijd ophalen uit zijn negotie. (Hij lust wel eens een glaasje en tot eind oktober was hem door de politie een rijverbod opgelegd) Met de woorden ik heb wat, zette hij een plastic zak aan mijn voeten. Ja hij had zeker wat. Na een minuutje begon de zak te bewe­gen en scharrelde er een grote kreeft uit die bijzonder veel aandacht aan mijn blote kuiten begon te besteden. Met een gil trapte ik op de rem, waar­na Michael grinnikend het dier ving en weer in de zak propte.

Net toen ik me toch een beetje eenzaam begon te voelen kon ik half juni John van het vliegveld halen, hij zou me een weekje of twee komen opvrolijken. Hij begon scherp, al de volgende dag: we gingen op zeeforel vissen in het estuarie van Ballina. Traditiegetrouw ving ik niets, die dag, maar john opende de score met twee zeeforelletjes en schipper Malcolm maakte dit even af met vier. En gevangen op de manier die ik zo wezenloos leuk vind: klein spinhengeltje, zandspiering als aas en maar laten drijven aan een vie­rend lijntje. En oh, wat krijg je dan een mooie aanbeten.

Maar de hoofdmoot moest nog volgend, twee dagen later: we reisden af naar de Erriff River voor een week verblijf in de Aasleagh Lodge. Heerlijk is het daar: je wordt er zalig verwend met goed eten en meestal aangenaam gezel­schap. Ook dit jaar zat het weer mee: een groep van acht jonge artsen die elkaar al vanaf de collegebanken kent en ieder jaar twee weken met elkaar op stap gaan. En op stap gaan betekent dan ook op stap gaan. Je weet niet waar ze die grote glazen laten en je vraagt je af of ze ooit les hebben gehad over de gevaren van alcoholmisbruik. Maar enfin, al de eerste dag op de Erriff liet John me zien hoe het moest: bij zijn eerste worp vloog er een zevenponder, het leven meer dan moe, op zijn shrimpfly, mij uiteraard in stomme verbazing latend. Veel vis zat er verder niet in die Erriff: de grilse-run moet dit jaar een ramp zijn. We hoorden dat zelfs de beroepsnetvissers niet eens de moeite namen om uit te varen en een andere beroepsvisser, een otter, zagen we met een dikke eend in zijn bek zwemmen. Hij was dus dui­delijk naar een alternatieve voedselvoorziening uitgeweken. Maar ons stropersinstinct liet ons gelukkig niet helemaal in de steek. Het vissen met garnaal is in de Erriff streng verboden, maar dat moet je natuur­lijk nooit tegen een paar Hollanders zeggen. Dus had ik voor vertrek naar Ierland een kilootje verse garnalen gekocht, ze geverfd en gezouten. En ze werkten prima: zowel John als ik slaagde er in nog twee zalmpjes te vangen. Het geeft niet helemaal de bevrediging van een zalm aan de vlieg, maar een kniesoor die daar op let als de zaken zo slecht gaan.

Toen we de Erriff verlieten hadden we nog een week te gaan, die we voorna­melijk op Carrowmore Lake zouden doorbrengen. Maar eerst stond er nog een dag op Ballinlough op het programma. Dit is een meer dat gestockt wordt met grote sterke regenbogen, een soort natuurlijke Eemhof met vissen die de kracht hebben van Oostvoornse meer forellen. Maar helaas, John begon me echt met een scheef oog aan te kijken: ook hier ging de dag voorbij zonder dat we ook maar een aanbeet voelden. Maar de uitsmijter moest volgen, zoals gezegd gingen we naar Carrowmore, een meer dat door iedereen wordt opgehemeld over de fantastische vang­sten. En waren we daar zelf niet debet aan? Vorig jaar hadden we er één dagje gevist en we hadden een onnoemelijk aantal zeeforellen gevangen, John een grilse en ik zelfs twee.

Nou het zat helemaal fout. Niets, noppes. We hebben er vijf dagen gevist en ik heb uitgerekend dat we op één dag tenminste 3500 casts per persoon maakten. En van die 3500 casts leverden er tussen de 5 en 10 een beschei­den aanbeet op, hetgeen resulteerde in twee of drie zeer kleine forelletjes. En om nu te zeggen dat het een gezellige zit was, nee. Net als in de rest van de vakantie waren de luchten somber en de wind soms snijdend hard. Heel leuk waren die vijf daagjes de lunches: met z'n allen (vier bootjes, man of acht) op een klein eilandje, waar thee werd gezet met water uit het meer in de kelly kettle. Ik wilde dit authentieke gebeuren filmen, maar helaas bleek de film thuis net op dit stuk dermate gestoord, dat er vrijwel niets van te zien is. En ook op andere fronten hakte het Bullisme er die vijf daagjes nog even stevig in. Bij het weer in het water sjorren van de boot schoot mijn voet weg over een rollende steen en jawel hoor, 120 kilo spek begroef zich onder water, zodat er onder luid gelach en gejuich even later een walrus het water­oppervlak weer doorkliefde. Mijn tweede CFO, een IV ditmaal, liet het afwe­ten met een versleten en niet meer te repareren as en als afsluiter sloeg ik op een gegeven moment een forse maat 8 haak helemaal door mijn net nieuw aangeschafte Simms Goretex waadpak heen.


Maar dat was nog niet zo vervelend als het feit dat ik John na die twee weken weer naar het vliegveld moest brengen. Je hebt toch twee heel leuke weken gehad (al zou je dat aan de visvangst niet afmeten) en ik liet hem toch een beetje met een brok in mijn keel achter. Ik reed maar direct door, richting Bunduff een riviertje in de richting van Bundoran om te kijken of daar nog wat gevangen werd. Dan kon ik er de andere dag zelf gaan vissen. Nou dat viel niet tegen, aan vier hengels waren er die dag 6 zalmen gevangen, geen gek gemiddelde dus! Eindelijk, dat beloofde wat voor de volgende dag. Vreemd", zei de dienstdoende ghillie aan het einde van die volgende dag. Ik heb het dit seizoen nog niet meegemaakt dat er bij opkomend tij niet minstens één zalm is gevangen. Zo slap is het echt nog niet geweest! !!"Ik zei helemaal niets, maar de oude baas boven hoorde me behoorlijk brommen. Michael vond het toch te zot voor woorden dat ik nu al twee maanden in Ierland rondslofte zonder dat ik een noemenswaardige vangst had geboekt. Ja, een keer, toen we op Enniscrone twee keertjes met een vissersbootje waren uitgevaren om op makreel te vissen. Spinhengeltje, kleine lepeltje, leuk hoor, wel zo n vijftig stuks, hoera, Rob heeft ook wat gevangen!!!! Maar enfin, voor mijn laatste visdag had Michael een fantastische gids voor me geboekt die altijd op de River Moy viste. En, zei Michael, deze man komt echt nooit zonder vis terug. Hij is de kampioen shrimpvisser van Ierland.

Het zal de lezer niet verbazen dat na een dag lang en hard vissen ook deze man bedremmeld moest toegeven dat het hem in jaren niet was overkomen dat hij niet eens had beetgehad had!

Michael was blij dat ik de dag erop mijn biezen pakte. Kreeg hij eindelijk weer eens de kans om een vis te vangen. Zijn reputatie had al meer dan genoeg geleden.!!

Na een weekje thuis bivakkeren begon ik weer eens voorzichtig aan vissen te denken. Met John en Hans een avondje naar het Oostvoornse Meer om af te kicken. Speciaal voor dit meer had Steve twee jaar geleden een schitte­rend hengeltje gebouwd: vierdelig, negenvoets voor een #6. Even legde ik het tegen het open autoportier. Een hevige windstoot deed de rest: ik ben nu de trotse bezitter van een zesdelig hengeltje. Alleen zijn de delen van ongelijk van lengte!!!


AL IS DE GELUKSVOGEL NOG ZO SNEL, HET BULLISME ACHTERHAALT HEM WEL