Ierland 2000
(Rob Bul)

 

 Nee, echt grote rampen zijn er deze vakantie niet geschied, maar liefhebbers van een onvervalste portie Bullisme komen toch afdoende aan hun trekken. (Nou ja, klein voorproefje dan: pas een week voor vertrek kwam ik er achter dat de vertrekdatum niet op zaterdag was, waar ik helemaal op had gerekend, naar al op donderdag!) Ierland was uiteraard het reisdoel van John en onder­getekende, alwaar we eerst een weekje gingen zalmvissen op de Ertiff River om vervolgens domicilie te kiezen in Ballina voor wat diverser vertier. De route liep van Rotterdam-Hull, dwars door Engeland en Wales om vanuit Holyhead weer naar Dublin te varen. Daarna was een autotochtje van vijf uur afdoende om ons bij de Aasleagh Lodge te brengen, aan de monding van de Erriff. De overtocht naar Huil onderging ik enigszins contemplatief, over­mand door esoterische en intens dierbare herinneringen aan een eerdere overtocht enkele jaren her. Het doorkruisen van Engeland en Wales verliep zonder noemenswaardige incidenten of het moesten de rode lichten zijn die John plotseling ontwaarde, luttele mijlen voor onze eerste bestemming. Een set van twee maal drie lampen, niet ongelijk aan die op een spoorwegover­gang begon plotseling een kwaadaardig rood licht over de weg te spreiden. En er stond een bord waarop te lezen viel dat je direct moest stoppen wan­neer het rode licht begon te knipperen. Maar we zagen niets en er liepen ook geen rails, toch wel het minste dat je bij een spoorwegovergang mocht ver­wachten. "Kan't schelen", dacht John als rechtgeaarde Nederlander en gaf nog een dotje gas. Gelukkig maar, want toen ik omkeek zag ik op de plaats waar een seconde geleden onze auto zich nog bevond drie wielen op plm. 2 meter hoogte , als de gekromde klauwen van een aanvallende arend, van een Harrier straaljager in runway approach. 'Allemachtig', kon ik nog net piepend uitbrengen. "Nou, ik had altijd al een open sportwagen willen hebben", was John's laconieke reactie.

De aankomst in de Aasleagh Lodge aan de monding van de Erriff was harte­lijk als altijd en ik verheugde me echt op een weekje relaxed vliegvissen en 's avonds de bijzonder goede keuken, waarvan ik, zoals jullie allemaal weten, ook een groot liefhebber ben. Het ontbijt is bijzonder uitgebreid [diverse cerials, spek (veel), bangers (veel), eieren (2), jus, thee, koffie, melk]; zodat je werkelijk 'stuffed' de dag tegemoet treedt, en wij de lunch altijd maar overslaan. Het is leuk dat Jim Staffort, de fishery manager probeert de diverse gasten door de jaren heen in dezelfde week te plannen, zodat we ons ook nu weer mochten verheugen in het gezelschap van de oude professor Chumney en zijn bijzonder charmante vrouw en een gezelschapje van vier Engelse artsen, Malcolm, Andrew, Joe en Graham, begin dertig, al sinds de universiteit bevriend en als geneesheren alles doende wat ze hun patiënten hoogstwaarschijnlijk ten strengste verbieden: het bed werd voor drieën zel­den bezocht er hun talloze glazen Guinness, gefilterd door een zware rookwalm, zagen we slechts af en toe verwisseld voor glazen G&T, gedronken in een verhouding van waarschijnlijk 9:1. Nieuwlichterijen als radio en tv hebben Aasleagh Lodge - vermoeid leunend tegen de druk der tijden - nog steeds niet bereikt en de een paar jaar geleden aangeschafte munttelefoon is door de wet van de remmende voorsprong links en rechts ingehaald door de GSM. Het spreekt derhalve vanzelf dat de kunst van de herenconversatie na het diner, gelardeerd met een overweldigend uitzicht, turfvuur, Bommel-Bloemfauteuils, smookje-pijpje en een goed glas tot grote hoogte groeit. Dames worden overigens meer dan welwillend geduld, vormen zelfs wel eens onderwerp van gesprek! Al moeten ze het nog altijd afleggen tegen het weer en vooral: weersvoorspellingen!!

 

De eerste visdag leek het er eerst op dat ik John, wat eeuwige pech betreft een klein legaat had achtergelaten: in een van zijn reistassen was een fles douchegel leeggelopen zodat hij wel een stief uurtje doende was met het rei­nigen van diverse artikelen en de tas (en de kamers) bovendien de rest van de vakantie heerlijk naar dennen geurde. Maar erger was dat hij bij het in orde maken van de hengels ontdekte dat de top van zijn eenhandige Sage 10ft #7 was afgebroken. Het is al de derde Sage bij welke hem dit overkomt en het is naar verluidt ook bij anderen een vaak voorkomende klacht. Dat kan toch eigenlijk geen toeval meer zijn. Enfin, John's lijdensbeker was hiermee toch wel geledigd, terwijl de mijne pas voorzichtig, maar uitermate resoluut tot de rand werd gevuld.

Ons bleek deze eerste dag beat 8 toegewezen. (De River Erriff, zo'n 20 kilo­meter lang is in negen verschillende beats verdeeld). De keuze van de vlieg was niet moeilijk; de laatste jaren blijken diverse shrimppatronen het beste te werken. En shrimps, gebonden door Paddy Bonner (zie het meinummer van Trout & Salmon) zijn helemaal 'top of the bill'. In tegenstelling tot veel Ieren en Engelsen zijn wij Nederlanders echte puristen. We vissen nooit met een dropper en zelden groter dan haakje 14. De vliegen zijn wel op een dregje gebonden.

Beat 8 bestaat voornamelijk uit een aantal vrij langzaam stromende diepe pools, speciaal geëigend voor de zogenaamde backing up methode. Je begint dan te vissen bij de bodem van de pool en gooit niet 'down and across' maar schuin tegen de stroom in tot wel 90° toe. Vervolgens doe je een of twee stappen tegen de stroom in zodat je met de lijn een boog creëert, waarna je zo snel mogelijk binnen stript. Het werk het best wanneer er ook een goede opstroomse wind staat. Op de Errif trouwens, zo heb ik zelf proefondervin­delijk kunnen bewijzen, zijn ook goede resultaten mogelijk als je (bij zo'n opstroomse wind) recht tegen de stroom ingooit en dan direct gaat strippen.

Ik gebruikte hiervoor mijn Thomas & Thomas Ballinahinch 12ft#7, een System 2 #7/8 en een Intermediate Glaslijn #8WF. Mooie woorden, maar helaas werkte het ditmaal niet. John had meer succes, want die had aan het eind van de dag de 'artificial shrimp' vervangen door een echte, want voor alle zekerheid had ik in Nederland een pondje gekocht, gekookt en paars geverfd. En hij pakte er meteen maar twee met een gewicht van zo tussen de drie en vijf pond. Het viel wel op trouwens, want hij was de enige van de ongeveer 20 hengelaars die scoorde.

Op maandag besloot ik op een daartoe geëigend plekje maar meteen een garnaal over de bodem te laten dribbelen. J. bleek zijn laarzen in de Lodge te hebben gelaten, dus had ik een uurtje het rijk alleen. Drift na drift verliep zonder succes. Tot J. terugkwam. Zijn garnaal legde het zelfde traject af en ja, de zalm bleek dit garnaaltje toch hoger te waarderen. Binnen een kwar­tier kon hij weer twee vissen op zijn conto schrijven. Zijn whisky smaakte, genietend in een stoel naast een loeiend turfvuur, dubbel zo lekker die avond. Die van mij, uit dezelfde fles geschonken, had een lichte nasmaak van azijn.

De volgende dag kregen we 's ochtends beat 1 en in de middag beat 9 toe­bedeeld. Beat 9 is zeer geliefd want die bestaat uit de mooie Fallspool (de rivier erupteert in een waterval met een natuurlijk bassin aan de voet) en een aantal mooie ondiepe pools waardoor het water zich naar zee haast. Ik kon me hier naar hartenlust uitleven met mijn Orvis 13ft#8. Nadeel is dat dit onwaarschijnlijk mooie plekje letterlijk busladingen toeristen trekt en je dus bepaald niet rustig staat te midden van de picknickende gasten. Ook met je achterwaartse worpen moet je met deze lieden goed rekening houden! Na veel zwoegen met de vlieg en wat illegale driften met dobber en garnaal (op de rustige beat 1) had ik aan het eind van de dag werkelijk nog geen beet gehad, maar bleek John er toch weer twee (ook weer elk plm 4 Ibs) uit het water te hebben gekregen. Officieel met de Christmastree shrimp (een nieuwe P.B. vlieg), maar in werkelijkheid met een Bull Purple Paint Shrimp. Tja, ook als stroper kom ik minder goed uit de verf. Later die nacht ging het fors regenen, zodat we helaas het magische moment van een rijzende rivier moesten missen en de volgende dag met een sterk gezwollen Erriff voor iedereen verloren bleek. Pas weer een dag later, bij de zakkende rivier was het voor iedere visser (behalve voor ikke) Bonanza! We visten op beat 3, bij de Tawnyard Potholes. Lough Taynyard stort hier zijn overtollige water in de Erriff, een bijzonder mooi punt met tal van salmon lies. Het water is hier breed en suist onder de tegenoverliggende rots oever snel voorbij.

 

 Ideaal vliegviswater voor de 14Ft Sage#9. John verspeelde een mooie zalm, maar ving er een kwartier later weer een, volkomen regulier, op een Finn Gold Shrimp. Deze vlieg bleek trouwens ook uitermate aantrekkelijk voor zwaluwen, want bij een backcast dook er een bovenop en bij zijn voorwaartse worp zag J. ineens iets boven zijn hoofd fladderen. Het diertje bleek niet eens faul hocked, nee, liet had wel degelijk geprobeerd de vlieg te grijpen. Met als resultaat dat de haak in het benige gedeelte van het bekje zat en gemakke­lijk te verwijderen bleek. Ikzelf moest nog steeds op mijn eerste aanbeet, zelfs die van een zwaluw, wachten, John niet, want die pakte er na een uur­tje, op dezelfde plek, nog een.

 

Ook bij onze Engelse vrienden begonnen de eerste zalmen op hun score lijsten te verschijnen. Het ging langzaam, maar zij visten dan ook regulier; uit­sluitend met de kunstvlieg. Zij hielden zich verre van kunstaas of die ver­achtelijke wormen en garnalen. Hoewel, we zagen Joe op een middag toch met een spinhengeltje schuiven, voorzien van een Condoom Spinner. De verhalen "s avonds, onder het genot van haard, thee, whisky, pijp en siga­ren behelsden een omgekeerde evenredigheid aan amusementswaarde en waarheidsgetrouwheid. En dan hadden we voordien, in Hamiltons Bar in Leenane, al onze vingers genuttigd bij een spannende episode uit de Euro 2000 Saga.

Onze Engelse vrienden hadden er een handje van een Hollandse zin uit te roepen als 'phrase of the day'. Zo waren zij uitermate geïnteresseerd in de Nederlandse vertaling van 'Get lost, you're standing on my beat'. 'Pleur op, je staat op mijn beat', ja dat vonden ze wel een aardige zin en zo gebeurde het dat de overige Engelse gasten de rest van het verblijf in de Lodge deze zin in een werkelijk afschuwelijk Nederlands naar het hoofd kregen, al wilden ze maar nietsvermoedend in een vrijstaande stoel gaan zitten!!!
Onze laatste visdag kregen we nog een herkansing op Beat 9 en om nog een klein kansje op een zalm te maken besloot ik al om 6 uur op te staan om de Garden Pools te bevissen, het eerste oponthoud voor bij vloed naar binnen trekkende vis. Welnu, de enige buit werd door mijzelf gevormd, een vette kan ik u zeggen, want ik werd vrijwel volledig genuttigd en verteerd door miljar­den minuscule mugjes, in Ierland midgets genaamd. John zag in de seapool nog een grote zeehond op zalm jagen en gezien het feit dat deze nogal eens met een vette bek naar boven kwam kon hij concluderen dat er
A. best wel zalm zat en
B. dit beest heel wat beter viste dan wij.
Na een week vissen had John de score toch tot zes zalmen opgevoerd en moest ik zelfs nog op mijn eerste bewijsje van leven wachten. Toen Vrouwe Geluk bij mijn geboorte haar gunsten verdeelde moet ik haar toch wel iets hééél ergs hebben aangedaan of weer onbedaarlijk, ergens achteraf, hebben staan suffen.

Maar goed, dacht ik toen nog met op wanhoop gebaseerde moed, het moet die tweede week toch kunnen gebeuren? Viste ik niet de volgende dag op de wereldberoemde Ridge Pool in de Moy, waar zelfs de grootste groenzoeter nog een zalm uit het water weet te sleuren?

Vol goede moed (zoveel dat we onderweg beiden nog een nieuwe zalmpriest aanschaften) op weg dus naar Ballina, op weg eveneens naar het gastvrije onderkomen van Michael en Mary, een soort Parnela Anderson look-a-like. Zij drijven een Fawlty Towersachtige B&B die ik alleen aan mijn ergste vijanden zou durven aanbevelen (pas dus op als ik met een uwer lovend over de Conn Moy Lodge spreek), maar die ik zelf voor geen goud ter wereld voor een ande­re zou willen ruilen. Mike 'lm not well' Swartz, tevens eigenaar van het Ballina Angling Center, dankt zijn bijnaam aan het feit dat hij in de avondu­ren gaarne een glaaske vocht savoureert en dan in de ochtenduren uren de conversatie doorspekt met de woorden: I'm not well'. En aangezien wij in de ochtend, na een besproeide avond zijn gezelschap nog lang niet moe, nogal eens graag in zijn winkel toeven (je komt er bekende persoonlijkheden uit de sport, tv, film, literatuur van over de hele wereld tegen) krijgen we deze frase nogal eens vaak over ons uitgestoten.

Enfin, de Ridge Pool dus. Uiterst exclusief watertje: jaartje van tevoren boeken als je tenminste al een toe­wijzing krijgt (het heeft ons geloof ik zo'n 20 jaar gekost om van de 'Cancellationlist' op die van de 'regulars' te komen); 6 hengelaars per sessie en als je geluk hebt, heb je de dag van je leven! Ja, daaaar zeg je zowat natuurlijk. Geprobeerd heb ik het wel hoor, zeker. Met de zware 15ft#ll Sage; worp na worp na worp na worp. Het enige dat ik bewezen heb, is dat ik geen groenzoeter ben, want ik ving helemaal niks. Niet eens beet. Mijn testosteron moet toch wel een heel vreemde uitwerking hebben op de vlie­gen, lijnen en hengels die ik aanraak! Bewezen is ook dat John wel een groenzoeter is, want uiteraard ving hij er wel één (weer op de Finn Gold, nr. 14), en had hij bovendien over de dag verspreid een kleine tien aanbeten. Jammer toch, dat die aanbeten mij zelfs niet beschoren waren, want oh, wat zou ik een zalm vangen. Want ik mag als bekend veronderstellen dat je bij de aanbeet van een zalm niet te snel mag reageren. Het is niet zoals bij het forelvissen datje pijlsnel moet reageren, nee het is aanbeet, drie-vier secon­den wachten en dan de hengel liften. Maar John heeft een snel reactievermogen, slaat direct en mist daardoor een hoop. Bij mij is het meer van: gooooh ik geloof dat ik 'beet heb. En voordat dit signaal van de her­senen naar het lijf is gegaan, heeft de vis zich allang ramvast gehaakt. In principe verspeel ik nooit een zalm. Maar ja, ik krijg ook nooit een aanbeet en kan dit dus ook niet bewijzen.

Vandaar dat de hoop niet hoog gespannen was, toen we de volgende dag de Cathedral Beat, eveneens middenin het stadje en net zo exclusief als de Ridge, mochten bevissen. Al bij zonsopgang mochten we de poel bewaden, maar een ergerlijk gebrek aan vertrouwen van mijn kant deed ons besluiten maar ruim na het ontbijt eens een kijkje te gaan nemen. En daar gingen we weer met het grote 15ft kanon op Schotse wijze de beat af: down & across, stap naar voren; d«wn&across, stap: down & across, plons. PLONS? Jazeker, die beat heeft een paar verrekte diepe gaatjes en mijn over de bodem tas­tende voet vond één daarvan weer feilloos. En wat gebeurt er dan wanneer deze rondtastende voet geen steunpunt meer vindt? Gelukkig had ik, door ervaring zeer wijs geworden, genoeg verschoningen bij me.

 Weer terugge­keerd aan het water kwam zo langzamerhand de vloed naar binnen, de stroomsnelheid neemt af en vrijwel iedereen stapt dan over op de spinhengel. Zo nam ik mijn ouwe trouwe Hardy TenTen Salmon Spin ter hand, bewapend met eer Rode Condoom Spinner met roodkoperen blad. En zowaar, na een uur spinnen: vast. Op een bodemsteen. Dacht ik. Steen beweegt, steen is een ZALM(pje). En dan gaat er, na negen dagen keihard proberen, toch wel een bescheiden adrenalinezucht door je heen. Oh, die gebogen hen­gel. De kracht van het tegenspel. Die snorrende slip. Het net, verlangend om in actie te komen, onderstrooms ondergedompeld in het water. Niet schep­pen, maak die domme fout nou niet! Zachtjes uitdrillen en de vis boven het net manoeuvreren. JAAAH. Eindelijk. Binnen! 3,45 LBS. Nee, de recordlijsten haalt-ie niet, maar blij ben ik er wel mee, omdat de ban eindelijk gebroken is. Maar je wordt natuurlijk weer even met beide benen op de grond gezet als je, verheugd, de zaak van Michael binnenstormt en hij achteloos mompelt dat hijzelf zo’n rot vissie direct zou hebben teruggezet. Dat hij wel enig recht van spreken had bewees hij nog diezelfde avond. De bewoners van Ballina (de locals) hebben na zes uur het recht de Cathedral Beat te bevissen. Acht leden van de visclub mogen dan om toerbeurt tegen een vergoeding van 1.50 pond (wij betalen 50 pond zijnde 150 gulden! Per dag.) hun gang gaan. En die avond was het de beurt aan Michael. Hij is altijd extreem gelukkig, maar ook een werkelijk excellent vliegvisser, zeker met de 15 voeter. En altijd wanneer Michael 's avonds kan vissen staat er een grote schare vrienden en klanten langs de rivieroever om naar zijn techniek te kijken en wat grappen over en weer te flitsen. Hij viste die avond met het prototype van een nieu­we shrimpfly, haakje 16, die hij van Pat Boner had gekregen. Pat heeft hem de 'Live Shrimp' gedoopt en deze vlieg vangt volgens hem alleen maar vlak na zonsopgang en vlak voor zonsondergang. Naast het groepje vaste bewon­deraars langs de kant zit er deze avond ook een uitbundig gesculpte blondine op de brugleuning. Toeriste waarschijnlijk. Ik ben gek op mannen met een grote hengel", laat ze zich op een gegeven moment ontvallen. Michaels schare bewonderaars, die met een bijkans over hun schoenen ras­pende tong naar de blondine keken, draaien zich naar M. om te horen wat deze daar nu wel op te antwoorden weet. Deze bedenkt zich geen moment en zegt met een grote grijns dat ze dan maar snel maar beneden moet komen om er mee te spelen. De dame valt bijna van de brug af van het lachen.

 Wij ook, maar dit vergaat ons als M. denkt dat zijn vlieg gegrepen wordt door een plastic vuilniszak of zoiets - het voelde heel vreemd aan, zei hij later -toen bij het binnen draaien zijn hengel bijna uit de hand wordt gerukt. Een geweldig gevecht volgt en de op de brug naar beneden kijken mannen ver­schrikt als ze de vis zien. Heel breed en bijna 1.50 meter lang. We schatten later dat hij tussen de 30 en 40 pond moet zijn geweest, een van de groot­ste vissen ooit op de Moy gesignaleerd. Door wat lijn loos te geven kan M. in eerste instantie voorkomen dat de vis er - met de stroom mee - vandoor gaat. Tegenstrooms is er ruimte genoeg om de vis uit te drillen, maar stroomafwaarts zijn er op 20 meter afstand de dreigende bogen van de brug. En wat onvermijdelijk is gebeurt uiteraard: plotseling neemt de vis een niet af te stoppen run richting brug, schraapt langs een pijler en de 'live shrimp' schiet los. Potjandubbeltjes," stamelt Michael. (De lezer zal begrijpen dat de juis­te terminologie ietwat anders luidde, maar dat ik zijn fijnbesnaardheid niet op de proef wil stellen.)  De rest van de avond was hij - begrijpelijk -ontroostbaar en tegen het slot onvervoerbaar.  Nieuws reist trouwens snel in Ierland tegenwoordig, want toen Michael 's ochtends om 9 uur ('I'm not well!') een leverancier in Dublin belde en uiteraard het verhaal van de steeds groter wordende vis wilde doen, bleek men daar al op de hoogte! 

 Toen we het verhaal tegen tienen voor de 20e keer hadden gehoord was het tijd om naar Carramore Lake te gaan om te proberen vanuit de boot een zalm of zee-forel te pakken te krijgen. Je vist dan op de klassieke Ierse Loughstyle manier: lange hengel, lange leader, tailfly en twee droppers. Je gooit een lange lijn die je vervolgens langzaam of juist razendsnel binnenstript. Ik gebruik hiervoor een 12ft#4 Loomis en weer de transparante intermediate. De vliegen waren een Black Pannell aan de staart, een Red Arse Green Peter en aan de dropper en aan de topdropper een Claret Bumble. Deze laatste is een uitvinding van  de oude Ierse opperrechter Kingsmill Moore en voor het eerst beschreven in zijn boek 'a Man May Fish'. Hij komt vooral op de topdropper tot zijn recht als hij over het wateroppervlak dansend, wordt terug gevist. Onze Claret Bumbles waren trouwens gebonden in het wereldbe­roemde atelier van Rogan's of Ballyshannon en het bijzondere daarvan is dat ze zonder vice of wat dan ook voor hulpmiddel, zo uit het handje, worden gebonden. Je gelooft je ogen niet als je voor je ogen zo'n vlieg ziet ontstaan. De Claret is vooral op de meren, maar ook op rivieren een regelrechte killer voor zalm en zeeforel en ook een regenboog (Oostvoornse Meer?) is er zeker niet vies van. Behalve vandaag dan. Want hoewel ik berekende dat ik zeker 2400 worpen heb gemaakt die dag, waren ze alle vergeefs. Het weer was per­fect: winderig, beetje zon, beetje bewolking, maar niks, noppes, nada. Ja joh, het is allemaal in Gods hand", bromde Gary, onze bejaarde boatman. Ja en wat mij betreft laat-ie het ook nooit los!, kaatste ik venijnig terug. Voor de rest was het natuurlijk perfect: mijmeren, verhalen vertellen, lunch op een klein eilandje met thee uit de onvermijdelijke kelly kettle en boterzacht water uit het meer.

De dag erop, het was inmiddels dinsdag geworden, verlegden we ons doel naar Ballinlougli, dat regelmatig wordt gestockt met enorme aantallen regen­bogen in de 2-6 lbs klasse. We begonnen met dezelfde uitrusting als de dag tevoren, maar hoewel de regenbogen geacht werden wat bijtlustiger te zijn dan de zeeforel en zalm, zette dit toch geen zoden aan de dijk. Maar we had­den meer ijzers (vliegen) in het vuur. Al een paar jaar geleden heeft J. een eigen vliegje ontwikkeld: iets wat het midden houdt tussen een nymph en een streamer. Langsteelhaak, goudkopje, zwarte dubbing, zilvertinsel, een forse pluk zwart marabou: een kind, wat heet, zelfs ik, kan de was doen. En daar we ons de dag tevoren knap moe gegooid hadden, besloten we de dag maar eens lekker trollend door te brengen. En verdraaid, het geluk was - in de verhouding veel/een beetje - met ons: John ving er maar liefst zeven met een gemiddeld gewicht van zo'n 4 Ibs en ik kreeg met twee visjes ook nog wat kruimels toegeworpen. Als dank voor het de hele dag roeien, zullen we maar zeggen. Knappe vissen en minstens zo sterk als de jongens op het Oostvoornse Meer. 's Avonds werden de vissen direct naar de roker in Westport gebracht en zullen samen met de kerstzending worden afgeleverd. Door dit succes gesterkt begaven we ons woensdag weer op het Carramore Lake. Het weer was weer prachtig en zowaar: in de ochtend vingen J. en ik beiden een forelletje en in de namiddag ook weer een. Nou, van de 2400 worpen zowaar twee aanbeten: da's toch lang niet slecht. En typisch: toen we 's avonds bij het terugvaren aan andere vissers vroegen naar hun vangst, bleek dat bijna iedereen wat forel had gevangen en dit op vrijwel dezelfde tijdstippen als wij.

Donderdag wilden we graag op zalm gaan vissen aan de bovenloop van de Moy. Maar de waterstand was zo laag dat dit vrij zinloos bleek en Michael opperde dat we bij Killala met zijn vriend Jim Cloghan zouden meevaren, om te gaan diepzeevissen. Er waren wel dagen, zo zei Mike, dat er wel 20 ver­schillende soorten vis aan boord werden gehesen, van knorhaan tot blauwe haai. Met dit mooie weer hadden we er wel oren naar en zo voeren we uit, samen met vier Noord Engelse zalmvissers die ook aan de Moy waren 'gestrand' en niet wisten wat te doen. Het weer was prachtig en ik genoot volop van de zilte ademtochten. Het was al een dikke 20 jaar geleden dat ik voor het laatst de oceaan onveilig had gemaakt. De schipper vertelde ons dat hij in het voorjaar bezoek had gekregen van twee orca's. De ene had kenne­lijk wat last van jeuk en vond de kiel van Jim's boot wel een aanlokkelijk schrappertje. Nou, de bemanning moest zich wel aan van alles vastgrijpen om niet overboord te tjoepen. Met een vriendelijke staartklap op het water dook het dier vervolgens weer de diepte in. Nu, Orca-aspiraties hadden we die dag niet, het is ook wat onverstandig om zo'n beest te haken (wellicht kunnen trouwe lezers zich mijn avontuur met de walvishaai in Kinsale nog herinne­ren - proberen er een te vangen met een stuk ham als aas: hoe naïef kan een mens zijn. En dan een beestje van zo'n 16 meter lang), maar een visje, een aanbeetje zou toch wel leuk zijn. Ja, bij Johannes lukte zulks uiteraard wel. Standaardprocedure is altijd dat er met een verenlijn wordt geprobeerd wat makreel te takelen: het aas voor grotere predatoren. En wat komt er voor vis-kunde aan te pas bij het laten zakken van zo'n verenlijntje? John laat zijn Lijn zakken: een gul. John laat zijn lijn weer zakken: een koolvis. Voor de derde maal gaat de lijn te water: een knorhaan. Het hele drama samengevat in een paar woorden: Er kwamen voor John (en de andere vissers) nog heel wat makrelen en wat gul en koolvis bij. Maar niets spectaculairs en zeker geen 20 verschillende soorten. En ondergetekende: van de hele dag één enkel klein mallotig makreeltje na zeker twee uur vissen. Het was al heel wat sei­zoenen geleden, zo zei schipper Jim op de thuisreis, dat er zo bitter weinig was gevangen. Het viel me opdat John na deze woorden wat broeierig in mijn richting keek. Op de thuisreis visten we trouwens een spons op die op de heenweg overboord was gevallen. Een speld in een hooiberg was daar een breekijzer bij!

 De laatste visdag en qua beleving wellicht het hoogtepunt van de vakantie: met Malcolms kleine bootje zeeforel vissen in het estuarie. Malcolm, uiter­aard een vriend van Mike, is begin dertig, leeft met zijn moeder en zusje letterlijk op het strand van het estuarie en is werkelijk verzot op vissen. Hij is van een verpletterende, maar sympathieke eenvoud; zo noemt hij zijn fraaie border collie simpelweg 'dog'. Vrouwen, hoewel ik me zou kunnen voor­stellen dat ze een moord voor hem doen, zijn niets voor hem, zijn hele bestaan speelt zich af rond zijn boerderijtje, zijn boot en zijn hengels. Het vissen, zo had hij me eerder deze week laten weten", is dit seizoen bijzon­der goed, elke dag vang ik er zo tussen de 10 en 15 met een gewicht van tussen de 2 en 4 pond." Het weer liet het die dag echter behoorlijk afweten. Vanwege het getij moesten we al om half zeven uitvaren en een dichte mist strekte zich over het water uit. Af en toe zagen we de kop van een zeehond nieuwsgierig bovenkomen, maar dat was dan ook alles. We voeren tot op enkele meters van de branding en lieten onze zandspieringen in de richting van het strand drijven. (We visten met een lichte spinhengel 0,18 lijntje, en zonder een enkele loodverzwaring lieten we de aaltjes op de stroom weg­drijven.) Hier en daar zagen we kringen van jagende zeeforel, maar ze waren kennelijk in andere vis geïnteresseerd. Het weer bleef kleumerig, de zon een vale vlek, vooralsnog kansloos tegen de vochtige wattendeken. Wij bleken eveneens kansloos, die dag. Wat we ook probeerden, wat we ook in de richting van de rusteloos jagende forel gooiden: alles tevergeefs. Het enige dat de ellende van de dag nog doorbrak was het bij eb met een groot drijfnet jagen op verse zandspiering. Leuk om te doen en het leverde Malcolm boven­dien nog een aardig maalt]e aan verse garnalen op. Maar dat was dan ook alles. Onze laatste vis dag bleef volledig 'blank'

Goh zei Michael Later, toen we zijn winkel binnentraden. Malcolm heeft me al gebeld en gezegd dat dit zijn slechtste visdag sinds jaren was. Waar heb ik - dit met een schuine blik in mijn richting - meer gehoord als jij er bij betrokken bent?

Oe dag voor vertrek wordt traditiegetrouw doorgebracht met het afstropen van wat boekhandels. Ik wil me altijd op de hoogte stellen van wat er nieuw is verschenen op het gebied van 'the troubles', de oude Keltische cultuur en - uiteraard van visboeken. Wat dit laatste betreft was er een nieuw visboek van Peter O'ReiLly Flyfishing in Ireland. Gelardeerd met schitterende foto's beschrijft Peter op een prettig-simpele manier alle ins en outs van het vliegvissen in Ierland. Zalm, zeeforel, bruine forel, droog, nat, nymph, drijvend, zinkend, beek, rivier, meer, alles komt aan bod. Voor de eerstejaars reiziger naar Ierland een must, voor de recidivist een aanrader. Het tweede boek waar ik mijn hand op wist te leggen was 'Guarding the Silver' geschreven door Sean Nixon, oud fishery manager en fishery inspec-tor. Hij beschrijft een vijftigjarige periode aan, in en soms onder water, zijn strijd ter verbetering van de visstand en tegen de stroperij. Je kunt het boek lezen als een sociale geschiedschrijving van een deel van de Connemara of als een handboek voor fishery management. Wij hebben Sean in zijn jaren als fishery manager van de Erriff persoonlijk gekend en hebben zijn humor leren waarderen. Een imposante man, keihard en derhalve gevreesd, maar om zijn eerlijkheid toch ook gewaardeerd door de stropers. Zo in het begin van de tachtiger jaren logeerde ik begin mei in de Aasleagh Lodge. Ik bleek de enige gast te zijn. Bridget de lieve kokkin, die trouwens ook nu nog steeds aan het hoofd van de keuken staat, kookte rond zes uur een diner voor me en verliet vervolgens het huis. De hele Lodge voor mezelf: 20 kamers, vier badkamers, sfeervolle lounge met open haard, schitterend uitzicht, 'jaah, dat klinkt leuk zolang het licht is'. Maar bij het vallen van de duisternis drukken 300 jaar geschiedenis toch wel heel zwaar op een wat benauwd Nederlands hart. Het huis heeft een eigen leven, zo schijnt het en met een vroege gang naar bed probeerde ik me te onttrekken aan deelname daaraan. Maar ook onder de dekens hoorde ik het bonken van de luiken en het kraken van de oude houten vloeren. Wat was er waar van het verhaal dat 250 jaar geleden de jonge lord gebruik had gemaakt van zijn droit de seig­neur, terwijl het jonge keukenmeisje nog niet eens verkering had? Waarna het kind zich had verhangen in de bijkeuken. En dat gemompel buiten, waren dat soms de geesten van de uitgehongerde bewoners van Louisburgh, die in 1849 bij de toenmalige lord aanklopten om hulp, en die, nadat deze hard­vochtig was geweigerd, de 50 kilometer te voet terug moesten naar hun woonplaats. En die vervolgens langs een berghelling in een aardverschuiving terechtkwamen en door het Doo Lough werden verzwolgen?
Ik trok de deken nog wat verder over mijn oren maar kwam 'angstig' tot de ontdekking dat mijn oren me niet bedrogen: er klonk gemompel en ik hoorde beneden wel degelijk voetstappen. Trillend van teen tot huig sloop ik de trappen af, de gang door in de richting van de keuken. Een lichtkier, gelach. En daar zat Sean Nixon, met 14 bailiffs aan de koffie. Het bleek dat deze hele groep 's nachts de rivier in de gaten hielden, om te voorkomen dat er illegale net­ten werden uitgezet. They ment business' gezien het feit dat iedereen bewapend was met een indrukwekkende 'doubl
é barrel'. En dat die gebruikt werden ook werd ik enige dagen later gewaar. Ik zat 's avonds aan de Guinness in Hamiltons. Gezellige drukte, publiek gezang, turfvuurtje, olie­lampen. (Wie aan die sfeer wil ruiken raad ik aan de film The Fields eens te huren, daarin komen Erriff, het dorpje Leenane en Hamilton's uitgebreid in beeld) Er zat een groepje gelooide locals uitgebreid aan 't bier. Zat, zeg ik , maar er was er een die er duidelijk de voorkeur aan gaf te blijven staan en zich bovendien ook wat ongemakkelijk bewoog. Sean komt binnen en bestelt voor de hele groep een rondje. De staande bezoeker krijgt een klap op de schouder en accepteert met een besmuikt lachje het glas. Dit zei iets over het karakter van Sean en het gezag dat hij genoot.

Ook aan een andere gebeurtenis die Sean in zijn boek beschrijft kan ik een persoonlijke noot hechten. In de beginjaren tachtig was het gebied van de Erriff opgenomen in een zogenaamde huifkarroute. Toeristen konden een paard met een huifkar huren en er een week of veertien dagen mee rond­trekken. Op een bloedhete zomerdag stond ik te vissen in de pool bij de waterval. Het was al wekenlang droog en er stond bijna geen water meer in. Ideaal zwembadje dus. Dat dachten ook de acht bewoners van twee huifkar­ren die kwamen aangedrenteld: A men's dream, beeldschone Scandinavische nimfen, die zich helemaal uitkleden en vervolgens de pool in waadden.


Van vis­sen kwam niets meer ik had wel wat anders aan mijn hoofd. Bovendien ik kon dat de meisjes toch niet aandoen: een scherpe haak in hun strakke velletjes! Nee hoor, ik stopte rustig een pijpje, ging op de rotsen zitten en knoopte eens een praatje aan met deze of gene nimf die best wel even bij me wilden komen zitten. (Ja, voor de sarcastische lezer: ik was toen heel wat jonger en zag er wat beter uit dan nu!!!) In ieder geval, Sean beschrijft vrijwel dezelf­de scène, maar voegt daar aan toe dat hij klachten kreeg van vissers omdat ze veel geld betaalden voor hun vergunning en nu niet konden vissen. Ik wil derhalve voor eens en voor altijd vaststellen: ik was niet degeen die daarover heeft geklaagd!! Ja, ik ben misschien wel gierig, maar niet gek. Enfin ook dit boek is een aanrader voor iedereen die in Ierland en het vis­sen aldaar is geïnteresseerd.

Terug 'helaas' naar huis. Diep in het Snowdonia gebergte in Wales mochten wij overnachten in net Royal Goat Hotel. Prachtig oud sfeervol geheel. In de lobby hing een ingelijst krantenartikeltje uit 1840 dat het hotel van eige­naar was veranderd,, geheel verbouwd en opnieuw ingericht. (Dat was volgens mij het laatste dat er ooit aan was gedaan!) Bovendien, zo ging het artikel verder, had de moderne tijd nu definitief haar intrede gedaan, want het hotel was opgenomen in het postkoetsnetwerk en werd nu wel twee maal per week aangedaan. Ook hing er een ingelijste rekening uit die tijd, maar op die prij­zen durf ik hier verder niet eens op in te gaan!!!

De andere dag betaalde we een bedragje waarvoor je de vorige eeuw bijkans een heel jaar kon logeren en haastten ons per modern vervoer naar huis.

 

Epiloog

Het komt misschien wel eens zo over dat ik er de pest in heb dat John zoveel vangt. Dat wil ik even rechtzetten. John is een veel toegewijder visser dan ik ooit zal worden. Hij ziet er niet tegen op om om 4 uur aan de waterkant te gaan staan. Ik wel. Hij vist de hele dag consequent door, terwijl ik het vaak wel geloof en mijn aandacht op andere zaken des levens richt. Ik heb er alleen de pest in dat ik nooit eens beet krijg, waardoor ik geen zin heb vroeg op te staan, maar wat aanrommel en, kortom alle elementen voor een klassieke neerwaartse spiraal! Dat neemt niet weg dat ik er nog steeds lol in heb en me in het vissen, en zeker in Ierland helemaal thuis voel.