Vliegvissen op de Malediven: een tropisch avontuur
(Dami B, 2000)

 

 

Wie heeft nog nooit gedagdroomd dat hij op een onbewoond eiland zat, parelwitte stranden, slechts het geluid van brekende golven en de wind door de palmbomen. Probeer je eens voor te stellen dat je daar als vliegvisser loopt. Je ziet de kleine vis opspatten, opgejaagd door hongerige trevally's. Zachtjes loop je het warme water in. Je trekt je lijn van je reel, maakt een aantal worpen en gooit je herteharen poppertje tussen de nog steeds opspringende vis.

Een boeggolf, gevolgd door een klap op je hengel. Je vliegenlijn wordt er wer­kelijk uitgerukt en je vraagt je nog even af of de knoop aan je backing wel stevig genoeg is. Twintig minuten later zit je voldaan op het strand en een prachtige blue-fin trevally vervolgt zijn weg door het kraakheldere water...

Geen verzinsel, geen dagdroom, maar realiteit op zo'n twaalf uur vliegen van Nederland: de Malediven, een archipel ten zuiden van Shri Lanka, bestaande uit zo'n 1200 eilanden, waarvan er slechts 200 bewoond zijn.

Twee keer eerder was ik er al geweest, niet om te vissen, maar om te duiken. Een paradijs onder water met kleurige koralen, zwevende mantaroggen, dode­lijke steenvissen, dolfijnen, haaien en scholen gekleurde vis zoals je ze alleen uit natuurfilms kent. Ik heb ze allemaal gezien. Maar vissen: dat was op de resorts ten strengste verboden, je hengels konden zelfs op het vlieg­veld in beslag worden genomen. Althans, dat dacht ik altijd. Wat ik niet wist, was dat er één organisatie is die het alleenvisrecht op de Malediven heeft, ver weg van de resorts en de duikplekken: Blue Horizon, een club die al jarenlang duik- en visreizen verzorgt.

Gerard,een vriend van mij, had vorig jaar een vistrip met hen gemaakt. Gespecialiseerd in het little-big game gebeuren had hij wilde verhalen over wahoo's, tonijnen, giant trevally's , barracuda's en nog veel meer moois. In de stille uurtjes echter, terwijl de anderen voor een eilandje aan het zwemmen of snorkelen waren, had hij zijn vliegenhengel gepakt en was daarmee aan de slag gegaan, met goed resultaat. Het gevolg: Blue Horizon had hem, als verwoed vliegvisser, verzocht om te onderzoeken of er voldoende vliegvismogelijkheden zouden zijn: een voor hen tamelijk onbekend fenomeen. En ik werd gevraagd om mee te gaan. Niet iets waar je echt lang over na hoeft te denken. Toch zou alles dit keer anders zijn, het was namelijk regentijd.

Op 23 mei zijn we vertrokken met een groep van vijf. Aangekomen op Male werden we opgewacht en met een dhoni, het plaatselijk transportmiddel naar de boot gebracht: een25 meter lange boot, voorzien van alle gemakken en uitermate geschikt voor de little-big game-visserij. Het schip was nog niet geheel afgebouwd, de kamers zouden nog worden voorzien van airconditioning en een tweede stuurinrichting bovendeks was nog niet in gebruik genomen. Na een korte kennismaking met de bijzonder vriendelijke en behulpzame 6-koppige bemanning, vertrokken we voor een reis naar de noor­delijke atollen. We zouden hoofdzakelijk gaan vissen boven het Noordmalé-atol, op het Faadhippolhu-atol en het South Miladhun-madulu-atol.

De belangrijkste factor die bepaalt of je vangt of niet blijft ten alle tijde het weer. Wij zaten er in de regentijd, de periode mei -juni. Niet de meest ideale tijd om grote vangsten te maken. Het weer is in die periode erg onstabiel. Het ene moment loop je in de stralende zon een sjekkie te roken en een paar minuten later wordt je sigaretje gedoofd om dat er een plensbui valt die zijn weerga niet kent. De wind trekt binnen een paar seconden aan, de schuimkoppen staan ineens op het water, de grote boot ligt achter het rif en je vraagt je af hoe je daar ooit weer opkomt. Zo ook de tweede dag van de trip. De bootsmaat die ons met een nog geen 2 meter lang bootje aan de kant had gebracht wilde het wel proberen, maar wel met één persoon tegelijk. Ik bood me als vrijwilliger aan. Mijn schoenen had ik uitgetrokken, die had ik nodig om te hozen. Het bootje werd omhoog gegooid en de bootsmaat deed ver­geefse pogingen om de golven op de juiste manier te omzeilen. Op zo'n 40 meter van de grote boot, we waren het rif bijna voorbij, kwam er een enor­me golf op ons af en sloeg over ons heen. De boot stond tot aan de rand toe vol. 'Ga door7 riep ik in het Nederlands tegen de in paniek rakende boots­maat. In plaats daarvan draaide hij de boot, zodat die dwars op de golven kwam te liggen: iets wat je nooit moet doen. Toch hielden we het drijvende en met zijn motor vol aan voer hij weer terug naar de kust, ondertussen hozend om het bootje weer wat hoger op het wateroppervlak te krijgen. Een van de bemanningsleden wist dat er op het eiland een plaatselijk vissertje zat. Zijn hulp werd ingeroepen en een uurtje later zaten we met zijn allen in een vissersboot, althans, iets wat daarvoor door zou moeten gaan. Behendig stuurde de door de zon en zee donkerbruin gekleurde visser zijn boot door het rif heen, het roer bedienend met zijn voet en in zijn handen een fiets­pomp, aangesloten op wat pvc-pijpen, waarmee hij trachtte het teveel aan water in de boot weer buiten te krijgen. De zon scheen inmiddels weer volop en even later konden we onze reis ver­volgen, aan boord van ons eigen schip.

 

 

In de twaalf daaropvolgende dagen hebben we alle vormen van visserij uitgeprobeerd. Trollen, bodemvisserij, casten met poppers en, daar kwamen we tot slot voor, het vliegvissen. Zo'n 15 verschillende eilanden hebben we bezocht en op elk eiland waren de omstandigheden weer anders. De eilanden zijn gemiddeld klein, in een half uur loop je ze in de rondte. Soms ligt een eiland opgesloten door een ondiep rif, op het volgende eiland ligt het rif verder weg en komt met laag water ook niet vrij. Het ene eiland is beter bevisbaar met opkomend water, terwijl in een ander geval het lage water betere resultaten biedt, omdat je dan over het rif heen kunt werpen. Vang je de vis het ene moment in kniediep water, even later heb je succes in de diepere gedeelten achter het rif. Met de vlieg is werkelijk van alles te van­gen, snappers, groupers, trevally's, captain-fish, pompano's, geep en ga zo maar door. Één ding hebben alle vissen gemeen: hoe klein ze ook zijn, ze zijn stuk voor stuk gruwelijk sterk.

Op een van de eilanden hebben we zelfs bone-fish gezien, maar door gebrek aan een flatbodem zagen we geen kans deze vis op de juiste manier te bena­deren en te vangen.

Een leuke afwisseling met het vliegvissen is het trollen, een spannende, zij het wat passieve manier van vissen. Varend naar een nieuwe stek gooiden we steevast de hengels achter de boot met een flinke plug of een I-lander. Maar ook in de natte periode blijven de vangsten met deze manier van vissen wat achter. Zelfs de lokale vissers vingen met hun handlijnen minder tonijn dan anders. Op één van de ochtenden was het echter prijs. De zon scheen, het was behaaglijk op het achterdek en ik zat net onderuit in een luie stoel met een kop koffie. Opeens...een klap op mijn hengeltop en mijn molen begon te ratelen. Op zo'n moment stijgt je adrenalinegehalte onmiddellijk, net als je hartslag. Ik spring uit mijn stoel, vergeet de koffie, pak mijn hengel, geef nog een tik en het gevecht begint. 250 meter lijn wordt zomaar meegeno­men, het einde komt in zicht. Met mijn hand probeer ik de spoel af te remmen. Stom, die is al veel te heet. Toch lukt het de vis te stoppen en het inhalen begint. Optrekken, draaien, optrekken, draaien. Na een kwartier verschijnt er een witte plek in het blauwe water onder de boot. Wat zou het zijn? Wahoo? Trevally? Het blijkt echter een prachtige dogtoothtonijn. 50 pond explosieve kracht, wat een sensatie. Nog geen half uur later gebeurde bij Gerard hetzelfde. Hij had nog maar net zijn dril ingezet of hij voelde nog een tik. Ruim 300 meter lijn werd eruit getrokken. De slip strakker, hengel rechtop, geen enkele kans. Tsjak' is het enige wat je hoort, alles weg. Dit hadden ze wel vaker meegemaakt aan boord: typisch geval van een haai die een aangeslagen tonijn pakt. Een machteloos gevoel, je baalt, maar je doet er helemaal niets aan. Ook met de vliegenhengel zouden we dit gevoel nog wel eens terugkrijgen, als een grote trevally het rif induikt en je hem niet kunt stoppen. Het enige wat je dan kunt doen is alles strak zetten in de hoop dat hij misschien losschiet of dat slechts je puntje breekt.

Niet alle eilanden zijn onbewoond. Op het South-Madulu-atol kwamen we op een gegeven moment aan op Fodhdhoo. Een klein eiland met een dorpje met 200 inwoners. Voordat we het eiland op mochten moest er eerst toestemming gevraagd worden aan de dorpsoudste om het eiland te mogen betreden en te vissen. Na zijn goedkeuring gingen we aan land. Veel bekijks hadden we van de plaatselijke bevolking. Kinderen giechelden wat en de vrouwen draaiden hun hoofd om als je naar ze keek, iets wat algemeen is in een kleine isla­mitische gemeenschap. Wat verderop liepen Bert en ik het water in. De jagende vis zat wat verder weg en we stonden bijna tot onze oksels in de zee. Na een paar worpen keek ik achterom en zei: 'Bert, moet je zo eens achter je kijken'. Tussen de bomen stonden een stuk of tien meisjes en vrouwen, giechelend en giebelend, kijkend naar wat wij in godsnaam aan het doen waren.

De dagen gingen snel voorbij, de vangsten vielen over het geheel wat tegen, zeker voor zo'n toplokatie. Het waarom was echter helder: de enorme onbestendigheid van het weer was de grote boosdoener. Daarnaast de onbekendheid van de locatie voor wat betreft het vliegvissen en de gids die je op dat gebied ook niet wegwijs kon maken. Je bent aan het zoeken en onderzoeken, maar dat is al een belevenis op zich. Als ik de aanbieding krijg om de mogelijkheden verder te onderzoeken, maar dan buiten de regentijd, vertrek ik morgen nog, want wij zijn er allemaal van overtuigd: het vliegvis­sen op de Malediven heeft onbeperkte mogelijkheden. Het is geen visreis geweest, het was een avontuur. Aan de bemanning van het schip heeft het niet gelegen. Zij hebben alles op alles gezet zodat wij terug konden kijken op een geweldige trip. Dat de boot de voorlaatste nacht in een storm terecht kwam en op drift raakte waarbij de stuurinrichting vernield werd, ach, wat deed dat er toe. Dat we vervolgens vanaf een naburig eiland met een watervliegtuig naar Male moesten; alleen maar spannend. En dat bij het overbrengen van onze bagage met dat kleine bootje naar het watervliegtuig het complete bootje met onze bagage zonk; een kniesoor die daar nog op lette: de meeste bagage bleef drijven. Dat mijn reistas met 18 kg. bagage vervolgens 54 kg. woog: het gewicht deed me nog even aan die ene tonijn denken die ik met trollen ving: die voelde ook zo zwaar aan.

Met dank aan: Wout van Leeuwen, Redington en MacFishing. Rotterdam, 7 augustus 2000