NAAR DE HAAIEN !
(Peter O, 2001)

 

Meer dan 350 verschillende haaiensoorten, onderverdeeld in plm. 30 families zwemmen al zo'n miljoenen jaren in Aarde's zeeën rond. De variëteit in groot­te is enorm. Zo zijn er die niet groter worden dan enige decimeters, terwijl de reus onder de haaien, de vol­strekt ongevaarlijke en uitslui­tend plankton etende walvishaai een astronomische lengte van meer dan 18 meter kan bereiken. Niet gering dus!

Ook al spreken haaien bij jong en oud zeer tot de verbeelding, getuige de kaskrakers JAWS 1 tot en met zoveel, als sportvis krijgt de haai over het alge­meen niet de waardering die hij echt wel verdient. De meest beviste haaien­soorten zijn de blauwe, de ruwe, de mako, de hamer, de tijger en tenslotte de allerbekendste en meest gevreesde: de witte haai, ook wel menshaai genoemd. Helaas wordt vooral deze laatste met uitroeiing bedreigd, al wordt hij ook op vrijwel alle plaatsen ter wereld tegenwoordig wettelijk beschermd. Aangemoedigd door mijn verblijf op Graciosa (Canarische Eilanden) enige jaren geleden, waar ik mij intensief op de haaien- en roggevisserij heb toe­gelegd en waarbij ik het genoegen heb mogen smaken trollend met een dode bonito een flinke hamerhaai van plm 350 pond (Ibs) te haken, te landen en geheel onbeschadigd terug te zetten, heb ik enige maanden geleden mijn oog laten vallen op een geheel nieuwe stek en wel Guinee Bissau, gelegen in West-Afrika tussen het buurland Senegal en het grotere Guinee. Met name door de grote successen van de in Franse handen zijnde visclub de Acaja Club op het eiland Rubane begint Guinee Bissau wereldwijd een steeds grotere bekendheid te genieten en terecht. Het hele jaar door kunnen hier met name grote tijger- en hamerhaaien worden gevangen. Het gemiddeld gewicht varieert, schrik niet tussen de 200 & 250 KILO (!!!) en dat zijn echt hele forse jongens die beresterk zijn. Ook tijgerhaaien van een halve ton wor­den regelmatig gehaakt, doch mede in verband met de vechtlust van de tij­gerhaaien, benevens de rotsachtige omgeving waar de haaien zich ophouden, niet altijd gevangen!

In 1997 heeft een hengelaar na een dril van maar liefst negen uren (!) een zeer zware tijgerhaai met een geschat gewicht van 1000 kilo verspeeld, door­dat de stalen onderlijn van 600 pond het uiteindelijk begaf. De visserij op deze immens grote haaien is des te opwindender, zo kon ik in een goed gedo­cumenteerd blad lezen, omdat men hier vist uit relatief kleine bootjes van plm. 5 meter lang met een overigens, zo heb ik zelf later mogen ervaren, zeer ervaren bemanning op een doorgaans kalme en tamelijk of relatief ondiepe zee (maximaal zo'n 50 tot 60 meter diepte) waardoor het mogelijk is om met tamelijk 'licht” materiaal in de 30 tot 50 ponds klasse te vissen.

Wie zou denken dat hij, na het aanslaan van zo'n gigant, plaats zou mogen nemen in een luxe vechtstoel, om vervolgens een urenlange strijd met zo'n gevaarte van plm. 4 à 5 meter aan te gaan, komt bedrogen uit. Deze visserij vindt namelijk 'stand-up' plaats met een speciaal hiervoor ontworpen harnas, hetwelk de illustere naam 'black magie' harnas draagt

In essentie komt het hierop neer dat in tegenstelling tot de traditionele schouderharnassen, waar­bij de vis met de armspieren naar boven wordt gepompt, de vis met behulp van het black magie harnas met de bovenbeenspieren naar de oppervlakte wordt gedwongen. Vastgeklikt met van die mooie musketonhaken en met de hengel in de butt-rest maakt de visser als het ware een soort zittende bewe­ging en trekt daarmee een aantal decimeters lijn naar boven, die ogenblikke­lijk binnen gedraaid moeten worden op het moment dat de visser weer recht­op gaat staan. Anders gezegd: door in een snel tempo een aantal korte knie­buigingen te maken wordt de relatief zware vis met niet al te veel moeite naar de boot gedrild. En daarbij geldt dan: hoe dichter de vis bij de boot is en liefst onder de boot blijft, hoe beter het systeem werkt. (Dit heeft weer te maken met de hoek die de hengel met de lijn maakt; 90 graden is ideaal.)

Of deze theorie overeenkwam met de praktijk moge blijken uit het hierna volgende relaas van mijn eerste visdag bij de Acaja Club op het eiland Rubane. Deze visdag zou voor mijn vismaten Dennis, Marcel, alsmede voor ondergete­kende in het teken staan van de grote haaienvisserij. Het resterend gedeelte van ons Nederlandse gezelschap zou zich bezighouden met enerzijds de tarponvisserij en anderzijds met de bodemvisserij op roggen, cobia's, kleine haaien, barracuda's en aanverwante soorten. Terwijl een drietal aasgieren vol begerige aandacht ons in de gaten hield hoe de deckhands de aasvissen (bar­racuda's en jack crevelles en ander royaal getand gespuis) voor de grote haai- en tot hapklare dobbelsteentjes van zo'n 5 a 6 kilogram terugbrachten, wer­den in de tussentijd alle visbeten (Acaja 1 t/m 7) in gereedheid gebracht.

Na een laatste check van de brandstof (twee tanks), proviand, drank (!) aas en uiteraard een tweetal 80 Ibs hengels, werd koers gezet naar een stek waar volgens mijn visgids Laurent, zo wist hij mij met een vette knipoog te ver­tellen, zich al menig spannend avontuur had afgespeeld. Omdat ik helaas op geheel andere vislocaties wel eens vaker dit soort prachtige verhalen heb mogen aanhoren om daarna vervolgens een complete visdag met gespannen verwachting naar mijn hengeltop te hebben mogen loeren en zonder een schub weer aan wal werd gezet, ontving ik deze goedbedoelde informatie met een vriendelijke glimlach, maar ook met de nodige reserves. Echte wereld-stekken, waar elke dag grote vissen in de boot belanden ben ik eigenlijk maar zelden tegengekomen. Na een uurtje flink doorvaren waren wij op de plaats van bestemming aangekomen: een vrije nauwe doch relatief diepe (50m) doorgang (een fors, kanaal zou je kunnen zeggen) tussen een eilan­denarchipel. Het was precies op de plaats waar vanaf de kust een grote rivier in zee uitstroomde. En dit was nu de plaats, zo bezwoer Laurent (de visgids) mij, waar met name dan de grote hamer- en tijgerhaaien zich in meer dan gemiddelde aantallen en proporties zouden ophouden.

Alvorens te gaan ankeren keek Laurent nog één keer op de coördinaten van zijn GPS om er zeker van te zijn dat we precies op zijn 'hotspot' waren aangeland en 25 meter verder werd het anker uitgegooid en begon de hulp zijn voorbereidin­gen te treffen het aas aan de 14/0 haak te bevestigen. Dit proces verliep anders dan ik had gedacht. In plaats van de grote haak door de bek of door de rug van de dode aasvis te slaan, bleek men bij de Acaja Club een voor­liefde te hebben voor de hair-rig methode. Net als bij de karpervisserij (boilies !!) koos men er voor om met een hele grote aasnaald een 60 cm lange stalen onderlijn door het aas heen te trekken. Helemaal aan het uiteinde van de onderlijn zat een lus waar een stukje hout doorheen werd gewrongen om losschieten te voorkomen. Vervolgens werd deze lijn door middel van een wartel verbonden aan de hoofd stalen onderlijn (3-4meter). Aan de hoofd stalen onderlijn zat uiteraard ook nog het haakje 14/0. Tot slot werd de haak heel licht door het uiteinde van het aas geprikt. Waarom? Je moet bij een aanbeet werkelijk keihard aanslaan. Bij de aanslag zou de haak dan direct van het aas loskomen en kon hij bij voorkeur voorin de bek van de haai worden gezet. In theorie leek het werkelijk een perfect systeem en ook in de prak­tijk bleek dit op te gaan. Omdat het nog zo'n anderhalf uur zou gaan duren voordat het tij goed zou zijn besloot ik het er nog even van te nemen (ten­slotte was het ook nog een uitrustvakantie) en ging ik op het voorplecht van de boot onderuit onder een uitgeklapte parasol die inmiddels wel de pen­sioengerechtigde leeftijd had bereikt en wachtte op de dingen die hopelijk zouden gaan komen. Terwijl ik van een ijskoud blikje cola genoot vertelde Laurent mij weer in geuren en kleuren in zijn zangerig mengelmoes van Frans en Engels doorspekt met plaatselijke, voor mij onbegrijpelijke klanken, waarom net name de grote haaien, die over het algemeen veel sluwer waren dan hun kleinere soortgenoten, tijdens de zware stroming niet of nauwelijks het aas zouden vastpakken en er in een wilde run mee door zouden gaan. Dit nu heeft te maken met statische elektriciteit. Om het simpel te houden: door de zware stroming kwam er op de stalen onderlijn plus de haak stroomspanning te staan, waardoor met name de daarvoor heel gevoelige tijgerhaaien het aas gewoon het aas lieten. (Want als ze het aas aanraakten kregen ze een stroomstoot.) Dat verklaarde ook, zo vervolgde Laurent zijn interessante ver­haal, waarom de tijgerhaai, en vooral de grote exemplaren van boven de 1000 pond, buitengewoon voorzichtig het aas nemen. Dat viel mij, ja ik heb het zelf mogen ervaren, ook op: soms is slechts een heel kleine aanbeet of klei­ne beweging zichtbaar en soms helemaal NIETS. En dat is toch wel heel apart als er een stukje aas aan zit van 5 a 6 kilo.

Wijs geworden door zoveel informatie nam ik mij voor me de rest van de dag nog uitsluitend te concentreren op nagenoeg onzichtbare aanbeten en de rest te laten voor wat het was. Tegen het middaguur begon ik mij te realiseren dat het klimaat rond de evenaar drukkend warm kan zijn en enigszins verdoofd door de overstelpende hoeveelheid informatie over 's wereld meest perfecte vechtmachine realiseerde ik mij dat een middagdutje geen kwaad zou kun­nen. Een aanbeet zou ik toch niet missen omdat deze met het menselijk oog niet of nauwelijks te registreren was en ik zou na de siësta des te fitter het gevecht met welke gigant dan ook kunnen aangaan.

Echter, het lot besliste anders. Want op het moment dat ik mij op mijn zij draaide zag en hoorde ik op plm. 30 meter van de boot vandaan een schouwspel aan de oppervlakte wat ik alleen zou kunnen vergelijken met een jagende snoek in de polder, alleen met dit verschil dat ik mij op de Atlantische Oceaan bevond en dit gedrocht zo'n 4 meter lang was. Voor ik goed en wel besefte wat zich daar allemaal afspeelde zag ik een prachtig gestreepte tijgerhaai met zijn bek wagenwijd open gedeeltelijk het water uitkomen en met een formidabele plons weer in de oceaan verdwijnen.

De boodschap was duidelijk: de haaien waren gearriveerd en ze hadden hon­ger. In een halve seconde zat ik overeind, ontdeed mij van de in staat van ontbinding verkerende parasol en besloot in een snel tempo de meegebrach­te lunch, geen chili con carne, maar een chili con pesce te verorberen, omdat het vermoeden mij bekroop dat het heel snel wel eens spannend zou kunnen gaan worden. Drie paar ogen hielden het volgende kwartier de hengeltoppen onafgebroken in de gaten. Er gebeurde echter helemaal niets. Nou ja, bijna niets, want vanuit mijn ooghoek zag ik - waarschijnlijk alleen maar in mijn verbeelding - iets wat op een zeer bescheiden tikje leek, maar volgens de deckhand toch veroorzaakt werd door de lichte stroming van het water. Na een half uur was zowel de stroming als de wind geheel verdwenen en de tijd voor de grote jongens was aangebroken. Zekerheidshalve werd het aas van de linker hengel gecontroleerd en tot ieders verbazing werd uitsluitend de stalen onderlijn met haak compleet kaal binnen gedraaid. Het aas, driekwart barracuda van zo'n kilootje of zes was tot de laatste schub verdwenen. En dan sta je toch even gek te kijken.

Terwijl de deckhand alweer druk in de weer was met naald en draad om de volgende barracuda aan het staaldraad te rijgen kwam op de rechter hengel-top een fantastisch mooie aanbeet door, terwijl ook de ratel van de slip op de Penn reel knarsetandend van zich deed horen. De spanning aan boord was te snijden. Slechts luttele meters van de boot had een haai belangstelling getoond voor het aas, ditmaal was het dan een halve jack crevelle. Maar of de haai inmiddels niet meer geïnteresseerd weer was weggezwommen of het aas, zoals grote haaien vaak plegen te doen, in de bek had genomen en vervol­gens muisstil met het aas op de bodem was blijven liggen, dat werd helaas niet duidelijk. Vervolgens verstreken minuten zonder dat er iets gebeurde totdat vrij snel achter elkaar korte en felle aanbeten elkaar opvolgden en ook de ratel zich in het gebeuren begon te mengen, die eerst zachtjes doch gelei­delijk aan gelijk een stoom locomotief steeds harder begon te lopen. De hengel werd uit de steun gehaald en de slip vrij gezet zodat de haai alle kans kreeg het aas zonder weerstand te nemen, hetgeen ook direct gebeurde. In een gestadig tempo liep de 80 ponds lijn (gewoon nylon trouwens, aan dra-con of dyneema heb je niets, er moet een zekere rek in zitten, anders sla je de lijn af op knoop of wartel) 10, 20, misschien wel 30 meter, totdat de haak drie a vier maal met behoorlijk wat kracht werd gezet, waarna de meest ener­verende dril van mijn leven zou aanvangen.

Voorzien van de Franse variant van het hierboven beschreven black magie har­nas werd ik naar de achterplecht van de visboot gedirigeerd en werd mij uit­gelegd dat WAT ER OOK MOCHT GEBEUREN, MIJN HENGEL TE ALLEN TIJDE DEZELFDE KANT UIT MOEST WIJZEN EN WEL LINKSACHTER. Omdat alleen op deze wijze de haai de meeste weerstand van de boot, namelijk het breedste stuk, de achterkant, zou ondervinden en alleen op deze manier moe te dril­len zou zijn. Het was namelijk de bedoeling, zo vertelde mijn visgids mij nu pas, dat het anker van een boei zou worden voorzien en wij met boot, zonder anker, door de haai op sleeptouw zouden worden genomen en dat het wel

even kon duren voordat we zouden terugkeren naar het kamp. Vandaar dat Laurent er nauwlettend op had toegezien dat we met twee benzinetanks aan boord gingen, omdat het wel eens was voorgekomen dat een haai de visboot kilometers ver op sleeptouw had genomen en dan is wat extra brandstof aan het eind van de dag, en zeker in het pikkedonker toch wel handig om bij je te hebben. Terwijl beelden van het overbekende boek van Hemingway ‘The old man and the sea', u weet wel het verhaal van de bejaarde Cubaanse beroeps­visser Santiago die na een strijd van twee etmalen een reuzenmarlijn bedwingt, maar deze vervolgens weer verliest aan hongerige haaien, door mijn hoofd spookte stelde ik met genoegen vast dat het harnas op een per­fecte wijze functioneerde, zolang je inderdaad maar de richting van de hengeItop in de gaten hield en het breedste stuk van de visboot in je voordeel zou gebruiken.

De volgende uren voltrekken zich op exact dezelfde wijze en volgens hetzelf­de ritueel: de haai neemt slechts 25 a 30 meter lijn, welke dan decimeter voor decimeter met als het ware kleine kniebuigingen wordt teruggenomen. Om vervolgens weer kwijt te raken aan dezelfde haai, die weer nagenoeg dezelfde aantal meters terugneemt. Dit schouwspel herhaalde zich zo'n 10 tot 15 maal, totdat de haai kennelijk nieuwsgierig werd en naar de oppervlakte begon te zwemmen om eens even poolshoogte te nemen en te kijken wie hem toch die nare kiespijn bezorgde. Het bleek inderdaad om een tijgerhaai te gaan, maar dan wel van een reusachtig formaat, in ieder geval minstens vier meter lang en later, maar dat kon men pas afmeten aan de duur van de dril (voor elk uur dat de dril langer duurde kwam er weer zo'n 100 kilo bij!), om een onwaarschijnlijk gewicht van tussen de 7 a 800 kilo (1600 ponden dus), daar waar het gemiddelde gewicht een 250 kilo is. Bij het binnen draaien van de lijn werd duidelijk dat de hoofdlijn op verschillende plaatsen beschadi­gingen vertoonde. Ook de dubbele lijn, de leader, werd, maar dit keer tergend langzaam centimeter voor centimeter binnen gedraaid. Ik hield mijn adem in, nog een halve meter was de dubbele lijn van het topoog verwijderd, maar elke poging om de lijn nog verder binnen te draaien liep op niets uit. De tijgerhaai bleek absoluut niet moe gedrild te zijn en begon zich steeds heftiger, en daarbij wild met zijn brede kop schuddend, te verzetten. Aangemoedigd door de captain en de deckhand besloot ik alles op alles te zetten om in ieder geval de dubbele lijn op de reel te krijgen, althans binnen handbereik, omdat volgens de internationale toernooireglementen de vis als gevangen wordt beschouwd op het moment dat iemand aan boord de wartel, die de hoofdlijn met de leader verbindt, (of de leader zelf) aanraakt of ook als deze het topoog van de hengel raakt.

 Naarmate de tijd verstreek werd het verzet van de tijgerhaai steeds feller en agressiever. Op een gegeven moment toen de haai tot op enkele nieters van de boot was gedrild, nam hij een lange run van ongeveer honderd meter en verdween in de diepte daarbij ons visbootje zeker enige kilometers meesleurend. Langzaam werd de lijn weer binnen gepompt en even leek het erop dat de haai zich gewonnen zou geven. De laatste 10, 20 nieter werden voorzichtig binnen gepompt en zelfs de leader kwam weer voor de zoveelste maal in zicht. De visgids Laurent spoorde mij aan om nu werkelijk alles op alles te zetten en met een hoop gejuich en geschreeuw werden de laatste centimeters binnen gepompt. Door de immense druk was het gevoel in mijn knieën en bovenbenen allang verdwenen. Gelukkig werd ik op vakkundige wijze vastgehouden door de deckhand die al die tijd al achter mij stond. Centimeter voor centimeter schoof de dubbele lijn richting de hengeltop tot­dat deze in een flits door de glunderende Laurent werd vastgepakt en mij direct feliciteerde met de in ieder geval nu officieel gevangen tijgerhaai van in ieder geval op dat moment geschat boven de 600 kilo. Met horten en sto­ten werd vervolgens de dubbele lijn voor het grootste gedeelte op de reel binnen gedraaid totdat Laurent het laatste stukje van de lijn in zijn hand nam en mij liet zien dat dit stuk bijna voor de helft, waarschijnlijk door de rotsen, compleet doorgesleten was.

Toen viel er een moeilijke beslissing te nemen. We hadden kunnen doordraaien, maar we besloten toch de slip wat losser te zetten omdat de zwaar gehavende lijn onder zo'n gigantische spanning elk moment kon knallen. Echter, en dat is dan de consequentie van de genomen beslissing, door de vrij losse slip kreeg haai alle kans weer op krachten te komen. In de tussentijd was de boot van Marcel en Dennis gearriveerd en ter­wijl Marcel het gevecht op film vastlegde wierp Dennis met enige regelmaat blikjes cola mijn kant op, om me nog enigszins op krachten te kunnen hou­den. Dit hielp niet echt, daar waar ik me steeds zwakker voelde worden, leek het erop dat de krachten van de tijgertaai recht evenredig aan het toenemen waren. Inmiddels was, na nu bijna zes uur strijd, de duisternis ingevallen en werd besloten tot het laatste slotoffensief. De te losse slip werd, toen de leader wederom was binnen gedraaid, nagenoeg dichtgezet onder het motto buigen of barsten of liever gezegd: we gaan door tot we er bij neervallen. Dat ik dit laatste letterlijk moest nemen ervoer ik een paar seconden later toen de onder maximale spanning staande hoofdlijn, door toedoen van de tijgerhaai die uiterst agressief met zijn brede kop begon te schudden, met een oor­verdovende knal sprong en ik voor mijn gevoel gewichtloos achterover sloeg. Gelukkig viel ik voluit in de armen van de deckhand die mij de afgelopen uren voortreffelijk had geassisteerd.

Met gemengde gevoelens aanvaardden wij de terugtocht. Dankbaar en trots voelde ik me  om  onder deze tamelijk primitieve omstandigheden zo'n onwaarschijnlijk sterke vis te mogen drillen en als vangst te mogen noteren, anderzijds had ik juist deze vis (in deze lijn klasse een wereldrecord!) graag aan land willen brengen; dat kan iedereen zich wel voorstellen. Al was het alleen al om de nodige foto's te kunnen maken. But you can't win them all!

In het kamp teruggetomen werd ik nogmaals gefeliciteerd door de mede-eigenaar van het resort, Patrick Sebille, die mij verzekerde dat dit absoluut een vis moest zijn van zo'n 7 a 800 kilo, omdat zo'n beest anders na zes uur drillen nooit zo sterk meer had kunnen zijn. Patrick voegde er direct aan toe dat er zelfs nog zwaardere exemplaren rondzwommen van meer dan 1000 kilo. Misschien iets voor een volgende vistrip? dacht ik, op mijn compleet beurse knieën en bovenbenen rond strompelend om vervolgens op een bank in elkaar te zakken.

Tijdens het diner werden alle visverhalen nog eens breed uit de doeken gedaan waarbij me opviel dat ook de gevangen vissen van mijn vismaten naarmate de avond verstreek en het bodempeil in de flessen daalde, steeds groter bleken te worden, totdat het tijd werd om als een rubberen pop onder zeil te gaan. Oh heil, morgen is het weer vroeg dag en moet ik weer die zee op.

 

Epiloog

Lord, grant that I may catch a fish
So big that even I

When talking of it afterwards
Need never tell a lie