Echt gebeurd
(Rob B, 2001)


Een belofte van geheimhouding noopt mij mijn laatste vistrip met enige terughoudendheid te omschrijven. Laat voldoende zijn dat ik mij ergens in het zuiden van Duitsland bevond bij de rivier X in het welkome gezelschap van Y, voorzitter van een vliegvisclub in de buurt van Rotterdam. Een fraai duo: de uitermate pragmatische Y, die ik ervan verdenk nog reserve ventieldoppen voor zijn autobanden mee te slepen en ondergetekende, de vlees geworden rommelaar die het leven maar over zich heen laat walsen. (En dat brengt zelden wat goeds, dat weet de regelmatige lezer nu zo langzamerhand wel.)

Ooit heb ik de vliegvisweek van mijn leven gehad in de Weisse Traun, maar deze bestemming, zo sireende Y. in mijn oor, moest zo mogelijk nog beter zijn. Ja maar ik heb altijd zo'n pech', sputterde ik nog een beetje tegen, ik vang nooit wat en krijg verder allemaal ellende over me heen". Ach kom, dat doe je jezelf allemaal aan", sprak Y wat ongelovig en tegen beter weten in beloofde ik met hem mee te gaan. We kozen domicilie in een gerieflijk pension in een Beierse dorpsentourage met een uitermate hoog koekoeks-klokkengehalte. Wij hebben de naam dat we nog op klompen lopen, nou de dirndls en lederhosen vormen daar nog werkelijk een integraal onderdeel van het dagelijkse straatbeeld.

 

Bovendien was het dorp vergeven van krasse tach­tigers en ja, je beziet een Duits baasje in die leeftijdsklasse toch altijd met wat wantrouwen, zeker als ze ook nog trots het gemis van een arm of been etaleren. Maar enfin, met de rivier was niets mis, of het moest de waterstand zijn, die Y. nog nooit (en hij komt er al jaren minstens twee keer per jaar) zo laag had gezien. Ja hoor daar gaan we weer, dacht ik alvast. Maar mooi was het water wel: werkelijk kristalhelder en bekant met dikke grindbeddingen. Evenwijdig aan de rivier, maar zeker een vijf meter hoger, liep een schitte­rende beek. Zo'n 1-2 meter diep, ook met een jeneverkleurtje en uiterst snel stromend. Het eerste gedeelte was recht, met toch wat open oevers dus gemakkelijk bevisbaar. Maar het laatste deel voerde door een bos en was vrij­wel onbevisbaar. Je vist hier voornamelijk met de droge vlieg, had Y. van tevoren gezegd. Nu geef ik daar zelf ook verre de voorkeur aan en gelukkig had ik de afgelopen winter de film van Roman Moser gezien, waarin hij o.a. beschrijft hoe je op een gemakkelijke wijze een elkhair caddis, met zo'n geel koppie, moet binden. Dat had ik dus gedaan met het ijzingwekkende tempo van een twee, drie vliegen per dag en ik was dan ook de trotse bezitter van een doos vol met wel vijftig van die beestjes. Deze doos had ik ergens in mijn vliegvisvest opgeborgen, maar, een goed begin is tenslotte het halve werk, aan het einde van mijn allereerste run langs de beat (nee, beet had ik uiter­aard nog niet gehad), sloeg ik mijn handen op een pijnlijk lege plek, toen ik van vlieg wilde verwisselen. Doos weg, andere zak, geen doos. Doos was en bleef weg, ondanks minutieus speurwerk langs de oevers. Dus had ik nog slechts drie caddisjes op het bontje van mijn vest, waar ik de rest van de trip bloed-en-bloedzuinig op moest zijn. Dit smeekte, het was ook nog vrij warm, om een groot glas ijskoud bier. Gelukkig was er halverwege de beek een leuk restaurantje met terras, waar het elke middag met een copieuze lunch goed toeven bleek. Om er te komen moest je een bruggetje over en daar lagen me daar toch een paar varkens tegen de brug aan. Zo bij elkaar wel een stuk of twintig regenbogen, in de gewichtsklasse van tussen de vier en wellicht tien pond. Ja, kunst dat ze zo groot worden, zoals de opa's hierin Nederland met hun kleinkinderen de eendjes voeren worden daar de regenbogen gemest en de toeristen doen dapper mee met gooien van de overgebleven boterhammen. Louche Nederlanders als we zijn wordt er al snel naar een wit zalmeitje gezocht en gevonden en de rolverdeling was snel gemaakt: Y. (wat blas van de vele grote vissen die hij in zijn leven al heeft gevangen, hij hoeft niet meer zo nodig) gooide na de lunch op de brug wat stukjes brood in het water en ik er kieperde er een zalmeitje achteraan om dat vervolgens snel binnen te strippen. En binnen twee, drie seconden: bingo. Krijsende reel, kolkend water en boze blikken van de autochtonen die het niet leuk vonden dat we hun Heidi's en Heinzi (want het zou me niet verwonderen als ze allemaal een naam hadden) belaagden. Maar het feit dat we ze niet meenamen en nog in het water netjes onthaakten, ach, nou dat viel dan weer mee van die Hollanders. En zo werd het een traditie er elke dag even snel een stuk of vier te vangen. Goed voor de moraal, laten we maar zeggen.

Het vissen in de rivier viel niet mee: Y. gekneisd als hij is, pakte er steeds wel zo'n 20 tot 30, maar mijn score was heel wat bescheidener. Ik maakte dat weer een beetje goed door me op de beek te concentreren waar zo op het eer­ste gezicht niets zat in het heldere water, maar waar toch een droge vlieg af en toe van het oppervlak werd geslurpt. Tijdens de wandeling daar naartoe liet Y. me in de bossen een paar bomen zien met de uiterst zeldzame Amadou zwam en hij vertelde me dat je zo'n ding wel kon meenemen, maar dat het bijna niet te doen is hem zodanig te bewerken dat je er werkelijk iets aan hebt om je vliegen aan te drogen. Dus hebben we ze maar mooi laten zit­ten waar ze horen.

Aan die bomen zat trouwens nog meer, want bij mij kan het niet lang goed gaan natuurlijk. Vissend op het begaanbare stuk van de beek gebeurde het toch een keer dat een van mijn nu kostbare geelkopcaddissen in een tak belandde. Eerst probeer je dan door voorzichtig aan de lijn te trekken het takje neerwaarts te buigen, zodat je de vlieg kunt pakken. Dit mislukte, vlieg zat te hoog en tak was verderop te dik. Dan maar, ik heb dit in Ierland al heel wat keren probleemloos gedaan, met de hengel geprobeerd. Het uiteinde van de hengel met de reel vormen dan een hoek van negentig graden en dus krijg je een soort haak om de dikkere tak naar beneden te buigen. Zo gedaan, maar wat gebeurt er? Bij het kracht zetten schoot het topeind los en daar stond ik met dit eind in de hand wat uiig te kijken naar het achtereind dat nu ook bui­ten bereik hoog in de boom bungelde. Gelukkig was de uiterst consciëntieuze Y. naderbij gekomen en deze bleek uiteraard ook een werktuig bij zich te hebben waarmee vliegen uit bomen kunnen worden gered. Het bestond uit een buisje, waaraan een haak en een touw. Het buisje wordt over het topeind van een hengel geschoven en de haak in een tak geparkeerd. Bij het omlaag trekken kon hij nog net zeggen: 'pas op als de haak losschiet kan de hele hengel naar beneden komen' of het kwaad was al geschied. Haak los, de tak katapulteerde omhoog, de hengel schoot los, draaide 180 graden en het ondereind trof me als een speer in de roos precies op de linkerkant van mijn bril. Daarop knalde hij op de grond (deuk in de railfitting) waarna de reel ook nog even het asfalt raakte (deuk in reel). Maar dit kon nog met enig trek en klop-werk en hulp van de (te) lang en (te) hard lachende Y. worden verholpen. Zo niet de bril, want ik merkte dat mijn brilpoot er wat vreemd bij hing, nog net vastgehouden door het koordje dat ik er bij het vissen altijd op draag. Enfin naar de plaatselijke opticien voor een lasklusje. Helaas is mijn bril van titanium dus dit klusje was a. lastig, b. duur en c. het duurde een hele ochtend. En zo zat ik dus, terwijl Y. verder viste, heerlijk de morgen te vermeien, op een houten bank onder grote kastanjes en voor een kerkje. De wind roerde al wat vage herfstgeuren door de lucht. Een zalige stilte rondom, die bijna werd geaccentueerd door het getinkel van een Milkakoe op een berghelling en het geklop van een ouderwetse bosarbeider die nog een bijl hanteerde in plaats van zo'n humeurig gierende kettingzaag. Zo kwam ik met wat tijdschriften de ochtend ook wel door. Maar 's middags was de bril weer klaar (140 mark, bitte sehr und auf wiederschauen) en moest het logge lijf weer in het waadpak. Dat beviel me op een gegeven moment niet zo goed en ik besloot me maar voornamelijk aan de beek te wijden, dan had ik aan korte laarzen genoeg.

 

 En, ik zei het al eerder, hoewel het leek of er geen vis zat schoot er toch af en toe een op de caddisvliegen af. En dat terwijl deze zo langzamer­hand uit alleen nog maar een kale haak bestonden. Zelfs heel erg veel vis zat er, zo bleek in de namiddag. Rond een uur of drie stak er ineens een stevig opstrooms windje op. Het wateroppervlak werd gebroken en bovendien was het nu heel gemakkelijk om de vis precies tot op de centimeter opstrooms tegen de andere oever te gooien. En nu bleek er tussen vrijwel iedere steen daar een forel te staan, die als een gek op de vlieg steeg. Mooie vissen, wilde bruine en beekforellen, zo'n 30-35 cm, in twee uur wel zo'n stuk of twintig. Ja, dan voel je je toch wel weer even lekker. Van pure lol besloot ik nog maar weer even achter Heinzi en Heidi aan te gaan, die waren er kennelijk nog steeds niet aan gewend om gevangen te worden, ze bleven dapper bijten. De een na laatste dag besloot ik het maar eens moeilijk te gaan doen. Met mijn enige overgebleven nog redelijk toonbare caddis en een spinachtig vliegje dat Y. mij had geoffreerd sloop ik met mijn zesvoets T&T Beatis het bos in om op de een of andere manier te proberen daar in de beek te vissen.

 Het was moeilijk, heel moeilijk. Je moest je in allerlei bochten wringen om de vlieg nog enigszins ordentelijk te kunnen presenteren. Maar wat was dat mooi! Duidelijk was dat er niet veel werd gevist en je zag de vis heel fraai onder de vlieg komen, achteruit mee zwemmen en dan - in de meeste gevallen -inslikken. Op een gegeven moment dreef de vlieg onder een in het water han­gende tak door en net toen een klein meezwemmertje wilde slikken kwam er onder de boomwortels grof geweld omhoog. De vlieg werd van het water geslurpt de lijn liep strak en béng, hangen. Oh wat ging die hengel heerlijk krom en wat sloeg de reelslinger pijnlijk tegen mijn duim. Maar dat gaf niet, na tien minuten kwam er een botergele pracht met een zwarte rug en rood-gestipte flanken langszij. Voorzichtig onthaakt en even langs de hengel gelegd om later na te meten. Vijfenveertig centimeter wilde schoonheid, daar konden de vele ponden van Heidi en Heinzi toch mooi niet tegenop. Dompertje was wel dat bij de vele bochten waar ik me had moeten wringen mijn mooie nieuwe onthaaktang uit het vest was gegleden, maar daarmee was het leed toch wel geleden. Hoewel!

De laatste ochtend, zo tegen het middaguur, had ik ineens het gevoel dat ik in mijn bovenbeen was gestoken, maar dat kon toch haast niet, want ik droeg mijn waadpak weer. Zo tegen lunch en biertijd werd ik op het terras derma­te beroerd dat ik Y. verzocht me naar het pension te brengen alwaar ik de hele middag en nacht op bed doorbracht met ijle maar leuke koortsdromen. Edoch toen ik 's ochtends wakker werd was het leed geleden. Dacht ik. Ik voelde me weer helder in mijn hoofd en stond dus maar op. Om direct weer op de vloer te glijden. Mijn rechteronderbeen was vuurrood, helemaal opge­zet en ik kon er met geen mogelijkheid op staan. Om een lang verhaal kort te maken: onplezierige thuisreis, thuis dokter gebeld, forse beenontsteking en ik mocht een week lang met mijn pootje omhoog. En Y. was nu meteen genezen van zijn vileine verdenkingen (en ronduit geuite beweringen) dat het Bullisme een soort selfforfilling prophecy is.