Een telefoon gesprek met John
(Rob l, 2001)

 

 

"Hallo."

"Hoi Rob, leuk om iets van je te horen, waar gaat het over?"

"Ik hoorde dat je een aardige vis hebt verspeeld?"

"Niet erg hoor, ik ben er al tientallen kwijtgeraakt."

 "Hoe groot was hij."

"Ik geloof niet dat er van die grote in de rivier zitten."

 "6 pond trekkracht had je leader?"

"Je moet veel te hard hebben getrokken."

"Je had hen 10 minuten aan de lijn voordat je leader brak?"

"Welke vlieg had je eraan?"

"Wat, dat monsterlijke ding met zo'n geel kopje?"

"Waar was het?"

"Bij welke brug?" "Je bedoelt die hoge brug?"

"Aan welke kant?" "Bij het derde veld, zeg je?"

"In de hoek bij de tweede bocht?" "De hoek aan welke kant?"

"Oh, die kleine hoek aan de rechtse kant?"

"Onder die wilg zeker of was het die Berk?"

"Ik zou hem aan de andere kant hebben gezocht."

"Er is daar toch zo'n uitstekend bosje gras aan de kant en wat bramenstrui­ken die gedeeltelijk in het water hangen, was het daar?”

"Wanneer was het eigenlijk?" "Gistermorgen, was het toen?"

"Je gaat zeker wel weer achter hem aan?"

"Oh, je kan voorlopig niet, dat is nou jammer!"

"Wel deze dingen gebeuren nu eenmaal. Ik begrijp precies hoe je je voelt."

"Leuk je weer eens gesproken te hebben. We moeten snel eens afspreken en iets gaan drinken.”

 

De telefoon rinkelde aanhoudend, en na hem opgepakt te hebben volgde er een flinke activiteit. Hengel, net, vistas en waadpak werden snel in de auto gegooid. Mijn vrouw kwam naar buiten en zei: "Je hebt beloofd om mee naar onze dochter te gaan om naar je nieuwe kleinkind te gaan kijken."

"Oh, sorry schat. Je weet dat ik dat graag zou doen. Maar er schijnt een ver­moeden te bestaan dat er een vervuiling in de rivier is en ik moet er naar gaan kijken."

"Maar ik heb het aan onze dochter beloofd. De baby is nu al twee maanden oud en je bent er pas één keer geweest. Ze heeft zich echt op je bezoek ver­heugd. Fijne opa ben je."

"Hadden ze maar aan een betere gezinsplanning moeten doen, voordat ze aan een volgende baby begonnen. Wie laat er nou een kind komen in April als net het visseizoen geopend is."

Ik greep mijn jas en hoed toen de telefoon weer over ging. Mijn vrouw nam op.

"Het is voor jou," riep ze. "Het is die R, die vorige week ook belde en waarvan je zei dat het zo'n beroerde visser is."

"Hallo? Met wie spreek ik."

"Ik ben blij dat je wat hebt gevangen."

"Hoe groot was hij, zeg je?

"Vijf pond en drie ons?"

"Dat is de grootste vis van de laatste jaren die in onze rivier is gevangen."

"Waar heb je hem gevangen?"

"Welke brug?"

"Die hoge brug?"

"Bij het derde veld, zeg je?"

"In de hoek bij de tweede bocht?"

"En je kreeg hem langs die bramenstruik en kon hem landen?"

"Geweldig hoor. Ik hoor graag dat grote vissen worden gevangen en meege­nomen. Het worden toch maar kannibalen en dat is slecht voor de visstand." "Bedankt voor het bellen. We moeten snel maar eens afspreken en iets gaan drinken." Ik smeet de hoorn op de haak.

"Lieverd, ik heb me bedacht. Laten we er een gezellige dag van maken. We gaan naar de pub, eten en drinken daar wat en rijden daarna naar onze doch­ter om ons nieuwe kleinkind te bewonderen en vanavond gaan we dan lekker langs het strand wandelen."

Ik haalde de visspulletjes uit de auto, smeet ze in de schuur, stapte naast mijn stralende echtgenote in de auto en reden richting pub. Precies zoals man en vrouw doen als ze gezellig een dagje uitgaan. We reden langs de rivier. De waterstand leek perfect en er waren kringen in het water te zien van foeragerende vis.

Na de volgende bocht vervolgde de weg zich over een hoge brug. Niemand zou iets aan mij zien, behalve dan een goed geoefende liplezer.

"Grmpf -Vijf pond en drie ons en nog meegenomen ook".