St. Raphaël (Golf de Fréjus)
(Peter O, 2003)

 

Om precies half vijf in de ochtend word ik door de receptie van het Best Western Hotel gewekt. Terwijl "normale" vakantiegangers zich nog drie keer omdraaien in hun bed, rol ik mijn bed uit en breek ik bijna mijn nek over de her en der in de kamer ver­spreide visattributen, zoals altijd heb ik weer, althans volgens mijn echtgenote, veel, te veel "rommel" meegenomen onder het mom van je kan maar nooit weten of je het later nog nodig mocht hebben en het is te ver om terug te rijden. Na het nodige gezeul kom ik enigszins buiten adem aan in de haven, welke direct gesitueerd is naast het hotel, waar ik hartelijk word begroet door Bruno Ansquer, schipper en eigenaar van de boot "Bullif met wie ik de komende week de nodige avonturen zou meemaken.

Met een lichte verbazing tilde Bruno mijn visspullen aan boord en vroeg met een licht ironische ondertoon of ik wellicht van plan was de komende drie maanden in deze regio te gaan bevissen. De motor werd gestart en in een mum van tijd, nog geen twin­tig minuten van de thuishaven, waren wij reeds op de plek van bestemming aangeko­men. Omdat Patrick pas de volgende dag uit Florida zou overkomen, stelde Bruno voor de eerste dag kalm aan te doen en een beetje "in te slingeren" voor we aan het grote werk, het echte diepzeevisserij, zouden beginnen. Bruno haalde vervolgens uit het vooronder een aantal lichte spinhengels en plaatste deze in de daarvoor bestemde houders. De relatief korte doch stevige hengels waren alle uitgerust met een perfect draaiende Shimano Stradic, opgespoeld met nylon en aan het einde een onderlijntje van fluor carbon, vrijwel onzichtbaar in water, met daaraan bevestigd een vlijmscher­pe circle hook. Uit de vriesbox kwamen vervolgens een paar dozen diepgevroren sard­ines te voorschijn, welke enerzijds gedeeltelijk in reepjes aan de haak werden beves­tigd. Anderzijds verdwenen de sardines met enige regelmaat in de zogenaamde "sardinegrinder" een elektrisch apparaat, die de vis tot pulp draaide om vervolgens het pulp druppelsgewijs aan het zeewater toe te vertrouwen, een soort "rubby-dubby" dus, die de rovers in de nabije omgeving moest inspireren om in ons aas te bijten.

Het systeem bleek perfect te werken; in minder dan tien minuten was de zee om ons heen vergeven van de kleine visjes, direct gevolgd door wat grotere exemplaren, welke ach­teraf spanish mackerels bleken te zijn. Snel gaf Bruno een met sardine beaasde hen­gel aan mij welke direct werd uitgegooid. Het aas had nog maar nauwelijks het water geraakt of het werd gegrepen door een vraatzuchtige spanish mackerel. In een reflex probeerde ik de haak te zetten en sloeg met een korte tik aan, daarbij in de haast ver­getend dat ik met een circle hook viste waarbij het, zoals een ieder weet, uit den boze is om aan te slaan, daar de haak vanwege de specifieke vorm zichzelf zet. "Merde!" riep ik luid, daarbij alvast het idioom voor de komende week oefenend. Wijs geworden door mijn eerdere ervaring beaasde ik de circle hook wederom met een reep­je sardine en beloofde mijzelf ditmaal wat geduldiger te zijn. Een volle minuut was nog niet verstreken of ik voelde mijn lichte spinhengel bijna tot het kurk krom getrok­ken worden en volgde nu maar braaf het advies van de schipper op om vooral niet te slaan. Dit laatste was ook niet nodig want de vis hing reeds en ging als een dolleman op het achtponds onderlijntje tekeer. Daar het de bedoeling was dat deze spanish mac­kerels als aas zouden dienen voor de veel grotere soort, de amberjack, werden de vis­sen met een schepnet voorzichtig uit het water geschept en in een grote bak water gedeponeerd. Na meer dan een dozijn van deze fel vechtende makreelsoort met een gewicht tussen de l en 2 kilo gevangen te hebben, werden de voorbereidingen voor het meer serieuze werk in gang gezet. Bruno was druk in de weer om een aantal lich­te stand-up-hengels (30 Ibs) in orde te maken, zodat zowel aan de oppervlakte als­ook op verschillende dieptes, te weten 25 en 50 meter kon worden gevist, daarbij verschillende vismethoden hanterend. Nadat alle hengels waren uitgezet werd het tijd voor de koffie met uiteraard een croissant.

Veel tijd voor het ontbijt kregen wij echter niet nu de eerste hengel althans de reel een licht ratelend geluid vertoonde. Misschien de stroming, opperde ik nog, echter de woorden waren nog niet uitgesproken of het ratelend geluid maakte plaats voor een gillend gekrijs, direct gevolgd door een kromme hengel en vele meters nylon die met een noodgang van de reel begonnen te lopen. De hengel werd in een buttrest gezet en nadat de vis zijn lange run beëindigd had, begon ik langzaam de vis binnen te pom­pen. Kijkend naar de spanning op de hengel knikte Bruno goedkeurend en zei dat dit wel eens een fraai exemplaar zou kunnen zijn van zo rond de 20 kilo, die vooral niet verspeeld moest worden omdat hij niet alleen eigenaar van de boot was doch tevens eigenaar van een van restaurants aan de haven, genaamd "Espadon" en hij gisteravond zijn gasten had beloofd dat vandaag de veelgevraagde amberjack weer als specialiteit op de kaart zou staan.

 

Met deze wetenschap besloot ik geen enkel risico te nemen en de vis voorlopig maar te laten uitrazen en zette de slip wat losser. Na verloop van tijd raakte de vis toch wat vermoeid en begon ik lijn te winnen. Na tien minuten kon Bruno het silhouet van de vis zien, het bleek inderdaad een fraai gekleurde amberjack van zo'n 20 kilo te zijn, welke eenmaal bij de boot op vakkundige wijze door Bruno werd gegaft en met een flinke tik op zijn kop uit zijn lijden werd verlost. Enthousiast feliciteerde Bruno mij met deze schitterende vangst en riep 'nog één zo'n vis en we kunnen terug naar de haven om de menukaart voor de komende week aan te passen'. Lang hoefden we niet te wachten op de volgende aanbeet. Ditmaal was de uitgezette lichtere 20 Ibs hengel aan de beurt. Weer hoorden wij een oorverdovend gekrijs, doch op het moment dat de haak moest worden gezet bleek de rover helaas gevlogen. Tijd voor het opnieuw uitzetten van de hengel was er echter niet nu de eerste 30-ponds hengel liet weten dat hij aan de beurt was en met een hoop kabaal krom trok. Ditmaal werd de haak weer naar behoren gezet en na een wat kortere dril mocht ik een twee­de exemplaar, weliswaar wat lichter dan de eerste, zo'n 16 kilo naar binnen hijsen.

Toen vond Bruno het welletjes en maakte aanstalten om terug te keren naar de haven. Ter bescherming van de soort nemen wij nooit meer dan 1 a 2 exemplaren mee, anders krijgen we snel te maken met een bedreigde vissoort. Dat zouden we in Nederland ook eens moeten bedenken ten aanzien van bepaalde vissoorten, dacht ik, dan zouden we in Nederland ook nog eens een leuk visje kunnen vangen, terwijl ik instemmend knik­te en mijn visspullen begon op te ruimen.

Aangekomen in de haven werden wij begroet door Bruno's broer en enige vrienden die ons hielpen met het versjouwen van de amberjacks. Mijn vrouw Elvira had reeds een mooi plaatsje in het restaurant van Bruno weten te confisqueren en zat te popelen om te gaan lunchen. Na een snelle douche nam ik tevreden met het resultaat van de eer­ste visdag plaats aan het gereserveerde tafeltje en zag vanuit mijn ooghoeken een tweetal aantrekkelijke jongedames aan een ander tafeltje zitten, welke van Italiaanse origine bleken te zijn en die een meer dan gemiddelde interesse voor de gastheer Bruno aan de dag legden. Bruno, op en top Fransman, reageerde adequaat door beide dames enthousiast op zijn Frans te begroeten, niet zonder succes want beide dames waren nu pas echt geïnteresseerd geraakt en volgden Bruno in al zijn bewegingen.

Na de lunch verlieten wij het restaurant om in de namiddag nog wat van het strandleven te kunnen genieten. De volgende ochtend meldde ik mij op precies vijf uur in de haven, waar ik ditmaal werd begroet door een nog zeer slaperige Patrick Sébile, die gisternacht uit Florida was overgekomen en kennelijk nog worstelde meteen jetlag. Daarnaast was een vriend van Bruno van de partij, Matthieu een visserijbioloog uit de omgeving. Omdat het weer het niet toeliet om ver de zee op te gaan om de blauwvintonijnen te belagen, besloot Bruno wederom te gaan voor de amberjack, zeker gezien de prachtige vangst van giste­ren. Alles verliep volgens hetzelfde stramien als de dag er voor. De aasvis was er weer volop die weer volop werd belaagd door de spanish mackerels, die zich af en toe ver­gisten en zich vergrepen aan een met sardine beaasde circle hook. Matthieu had het op een gegeven moment wel gezien en ging wat experimenteren en liet zijn aas ver onder de school jagende spanish mackerels zakken, totdat hij een felle aanbeet voel­de zonder te slaan, zijn lijn strak draaide en: hangen! Na een korte doch enerverende dril kwam een prachtige rog aan het oppervlak en wel een voor mij onbekende soort, een violet stingray van ongeveer 6 a 7 pond, die na voorzichtig te zijn onthaakt weer de terugreis naar de bodem van de zee kon aanvaarden.


Tien minuten later was ik weer aan de beurt met mijn spinhengel. Waar ik voor de verandering maar eens een hele sardine aan de circle hook had bevestigd. Anders dan de vorige keer bleef de vis maar lijn nemen, waarop ik verzuchtte: dit moet wel een hele grote spanish mackerel zijn. Patrick lachte en zei: "het zou ook wel een iets anders kunnen zijn, bijvoorbeeld een pélamide."

 

Daar mijn woordenschat op dit punt helaas te kort schoot en ik geen idee had welke vissoort hij bedoelde, begaf ik mij schouderophalend naar de voorplecht van de boot om te voorkomen dat de vis, die in grote cirkels naar de bodem van de zee vluchtte in het ankertouw verstrikt zou raken en uiteraard daardoor verspeeld zou worden. Op de voorplecht aanbeland liet ik de vis maar uitrazen, terwijl ik genoot van de zon die al aardig warm, zeg maar rustig heet begon te worden. Zeg, hoe staat het met die mini-pélamide, is die al bijna binnen want het is bijna lunchtijd, hoorde ik Patrick vanaf het achterdek roepen terwijl hij druk in de weer was met stokbroden en bijbehorende kazen en het ontkurken van een flesje rosé. Dat komt goed uit, sprak ik, de vis is volgens mij bijna uitgedrild, terwijl ik verwoede pogingen deed om niet mijn nek te breken en langs het smalle gangpad van de boot weer op het achterdek te komen. "Zie je wel dat het een pélamide is", zei Patrick terwijl hij met de gaf de vis binnenboord hees. Verrek, het is een bonito, zei ik, had dat dan meteen gezegd, mij er over verbazend dat deze tonijnensoort zo licht met een spinhengel welke je thuis voor de snoek gebruikt gevist kan worden. "Dit is het perfecte aas voor de griseus" zei Bruno terwijl hij de bonito een tik op zijn kop gaf en de vis in de koelbox vol met ijs deponeerde.

"Voordat we gaan lunchen", sprak Patrick, "wil ik graag één van mijn meegebrachte hengels uittesten. Peet heb jij toevallig een molentje voor mij te leen?" Die had ik uiteraard wel, ik had immers voldoende vismateriaal voor de komen­de drie maanden bij mij en gaf Patrick een shimano molen die ik thuis voor de snoek gebruikte. Razendsnel tuigde Patrick zijn hengel op en pakte uit mijn viskoffer een silda pilker van zo'n 60 gram en maakte aanstalten om een verre worp te maken en bracht de pilker zoveel mogelijk achterwaarts. Helaas zag hij te laat dat Bruno op het achterdek nog hengels in de outrigger had staan. Resultaat: een grote ravage op het achterdek, waarmee Bruno zich het komende half uur weer kostelijk zou kunnen amu­seren. Patrick liet zich niet afbrengen van zijn plannen en na zijn lijn te hebben door­geknipt en de pilker opnieuw te hebben bevestigd maakte hij zich klaar om wederom een lange afstandsworp te maken. Pang! hoorden wij en daar vloog mijn pilker zonder dyneema met een noodgang door de lucht. Te laat realiseerde ik mij dat de lijn op de molen uitra dun achthonderdste dyneema was bestemd voor de snoek en zonder voor­slag niet te gebruiken was voor deze visserij.

Patrick - enigszins uit het lood geslagen, doch nog steeds niet voor één gat te vangen - was al weer bezig met het maken van de juiste voorslag, kennelijk onder het motto driemaal is scheepsrecht. De voorslag was klaar en Patrick zette aan om de verste worp uit zijn vis carrière te maken. Met een megazwaai en een fluitend geluid verliet de silda pilker met voorslag en hoofdlijn ons gezelschap, meer dan honderd meter vliegt de lijn door de lucht totdat de dyneemalijn en de backing in zicht komt en met een oorverdovende klap explodeert de knoop tussen de dyneema en de backing. Compleet verbouwereerd staren wij met zijn allen naar honderd meter dyneema met voorslag en pilker welke met een noodgang door de lucht vliegt om uiteindelijk met en beschaafd plonsje in het water te komen.

Patrick, één van de meest ervaren vissers uit Frankrijk, die gemiddeld zes dagen per week aan het water verblijft om zijn geliefde hobby te kunnen beoefenen, wist niet meer waar hij het zoeken moest en pakte het uiteinde van mijn backing en vroeg mij wederom met een onnavolgbaar accent van inspecteur Clouseau: "Peter, which socal-led friend of yours made this haribel (fon.) knot?". Het enige antwoord, dat mij op dat moment te binnen schoot: "Patrick, vous pêchez souvent ou peut-être vous êtes un pêcheur de dimanche?". Patrick trok aanvankelijk een gezicht als een oorwurm tot­dat hij in een onbedaarlijk lachen uitbarstte en pas twintig minuten later weer aan­spreekbaar was. Na deze perikelen besloten wij het verdere visprogramma maar te laten voor wat het was en ons te goed te doen aan de meegebrachte lunch vergezeld van de nodige flessen rosé.

Na de lunch werd het anker gelicht en voeren wij op ons gemak terug naar de haven, waar wij werden opgewacht door... jawel, de Italiaanse jongedames van de vorige dag. Bruno mompelde wat binnensmonds en liep, na de boot afgemeerd te hebben, direct door naar zijn restaurant, de dames met een nieuwsgierige blik achterlatend. Wie dacht dat Bruno naar binnenliep om zich op te frissen, om vervolgens de dames op gepaste wijze te begroeten, kwam bedrogen uit. Met grote stappen liep de anders zo vrolijke Bruno door zijn restaurant heen om vervolgens zijn tocht te vervolgen naar de keuken, gelegen aan de achterzijde van het restaurant. Vervolgens opende hij de ach­terdeur en liep de achtergelegen straat in, richting zijn geparkeerde motor, startte deze, riep nog iets in de trant van "a ce soir" en verdween uit het zicht, de achter­blijvers met de nodige verbazing achterlatend.

Toen Bruno, enige uren later, naar het restaurant terugkeerde, werd hem door zijn rechterhand, die nauwelijks zijn lachen nog kon inhouden, een "cadeautje" overhandigd. Enthousiast pakte Bruno het kleine pakje uit, dat de omvang van een bierviltje had en dit ook daadwerkelijk bleek te zijn. Er zat ook nog een beg