Twaalf wensen voor Kerstmis
(John Piekaar, 2004)

 

In tegenstelling tot wat hij meestal verkondigt geniet Rob wel degelijk van de Kerstmaand. Dit omdat er rond die tijd bij een ieder van zijn vrienden altijd wel een gezellige avond, een hapje en een alcoholisch drankje valt te scoren. Zelfs zonder op de kalender te kijken kun je aan hem zien dat het december is en de Kerst nadert. Het puntje van zijn reus kleurt dan, in tegenstelling tot de rest van zijn hoofd, per bezoek aan een van zijn vrienden dieper paars.

 Het was al laat op de avond, de fles bijna leeg en het turfvuur in mijn openhaard was al overgegaan in een hoopje donkergrijze smeulende as, toen Rob plotseling met dub­bele tong zei:

"Ik wens datje leader nooit in de knoop gaat".

 "Dat is een buitengewoon aardige wens van je", gaf ik ten antwoord. "Mag ik je dan wensen datje lijn nooit een geleidering mag missen".

"Ik wens dat je vlieg er nooit afvliegt", kaatste Rob snel terug.

Hier moest ik even over nadenken maar wist terug te komen met: "Ik wens datje butt nooit van je hengel valt".

"Zwakke wens", gromde Rob. "Zonder butt kan ik best nog heel goed vissen".

"Ik heb voor jou een betere". "Ik wens dat je waadpak nooit lek gaat"

Ik vulde de glazen langzaam bij, zodat ik wat tijd kon winnen om na te denken en kwam met: "mag je thermosfles altijd heel blijven".

 "Die heb ik geeneens", antwoordde Rob, "maar toch bedankt".

"Ik wens dat je vergunning altijd droog mag blijven".

 "Ik wens dat je nooit een eend mag haken".
Rob huiverde. "Weet je nog toen Peter er een haakte en er een oudere dame langs de rivier liep die ogenblikkelijk zonder er bij na te denken haar paraplu op Peters hoofd testte"? "Traumatisch was dat". "Ik stond me slap te lachen," was mijn antwoord". "Jij viel trouwens wel in de rivier, toen ze jou ook bewerkte met de paraplu", merk­te Rob droogjes op en vervolgde met:

"ik wens dat het je laatste leugen was". Ik bloosde diep van schaamte. "Die oude dame was woedend en beresterk".

"Ik wens dat de muggen je nooit tegen komen zonder tabak". "Dat vind ik een goede," was Rob's antwoord.

"Mag de wind altijd de vlieg recht in de bek van de vis blazen".

Rob strekte zich eens behaaglijk uit in zijn luie stoel, gaapte diep en zei: "Ik wens dat er altijd water in de rivieren zal staan als je gaat vissen".

"Dit zijn twaalf wensen," merkte ik op. "Laten we ze als Kerstwens namens ons naar alle vissers sturen die we kennen. "We hebben zelfs voor elke maand een wens".

 

Er kwam geen antwoord meer anders dan een luid gesnurk. Rob was uit zijn stoel gegleden en op zijn rug op de grond in slaap gevallen. Zijn reeds kalend hoofd, getooid met grijze baard lag half verscholen als een verloederde kerstman onder de Kerstboom en het puntje van zijn neus glom diep paars als een rijpe aubergine. Een plaid was snel over hem heen gegooid; ik nam een laatste slok, stond op en ging naar bed. De volgende ochtend was hij verdwenen.