Ierland 2003
(Rob B)



Een week voor vertrek naar Ierland had ik een schitterende GSM aangeschaft met alles drop en dran. Zo klein en licht dat het apparaatje gemakkelijk in het borstzakje van mijn overhemd paste, zonder dat je ook maar enig idee had dat je het meetorste. Toen ik het overhemd de avond voor vertrek in de wasmachine gooide had ik dan ook geen enkel idee. Wel nu geen enkele GSM zal van binnen en buiten ooit zo schoon gewassen zijn! Een worp in de vuilnisbak was al dat restte.
Ook hadden wij, speciaal voor de snoekvisserij, een Lowrance Fishfinder aangeschaft, in Amsterdam bij een daarin gespecialiseerd bedrijf. Zo gespecialiseerd dat ik me na levering nog twee maal speciaal heen en weer naar Amsterdam kon gaan omdat er ‘dingen’ niet klopten. Het blijkt maar weer dat het uiterst onverstandig is om mij apparatuur te laten aanschaffen die met techniek van doen hebben, maar dit terzijde.

Donderdagavond de twaalfde juni zetten wij scheeps naar Harwich. Op de nachtboot, die min of meer gereserveerd is voor vrachtwagenchauffeurs. De zwaarte, hoeveelheden en vetgehalte van de verstrekte avondmaaltijd waren daar dan ook naar en de epicurist in mij moest er weer even het zwijgen toe doen. Vrijdagochtend reden wij omstreeks halfzeven van boord af. Zonder ontbijt, wat geheel tegen mijn principe is, maar het dineetje van de avond tevoren liet nog steeds uitgebreid van zich weten, voelen en horen. We doorkruisten Engeland en Wales. Wales is trouwens een paradijs voor autoliefhebbers, zeker als je van vintage cars houdt. Ook deze keer werden we niet teleurgesteld: in Bettiscoed passeerde een lange colonne open Rolls Royces uit de twintiger en dertiger jaren. Hierbij vergeleken is de huidige generatie Rollsen gewoon armoedig en zeker platvloers te noemen. We hadden de hele reis in dusdanig vlot tempo afgelegd dat we een uurtje of vier te vroeg in Holyhead aankwamen, alwaar we ‘s avonds met de ferry naar Dublin zouden varen. We besloten om eens niet meteen in de opstelrij te gaan staan, maar door Holyhead te rijden om te zien of we hier ergens een terrasje konden opduiken. En dat lukte even buiten het plaatsje: een bar/restaurant op een heuveltje met onbelemmerd uitzicht over de staalblauwe zee en de jachthaven. Buiten een paar banken met tafels. Graadje of 22, maar de zachte zeewind die de stagen der jachten zacht kietelde, bracht een heerlijke verkoeling. Een perfecte tonijnsalade, een pint ijskoude Budweiser en het gewaardeerde gezelschap van je vriend die je al bijna heel je leven kent: het universum was klein, maar o zo prettig op dit moment.
En ook toen we eenmaal op het ferryterrein waren aangeland was het genoegen nog niet over. Ook daar stonden een paar banken met tafels en als je even door het onaangename gekwek van een batterij grijs gepermanente Germaanse bloemetjesjurken heenkeek, was het ook daar aangenaam toeven. John dook, om de tijd te doden maar eens in de bibliotheek die ik altijd meesleep en ja hoor, daar vond hij het recent aangeschafte Salmon Fishing on River and Stream van Alexander Baird Keachie. In een uur tijd las hij daar zoveel nieuwigheden en tips dat er een volledig nieuwe wereld voor hem openging en hij bij het aan boord gaan alleen nog maar kon zeggen: “je had me wel eens eerder kunnen vertellen dat je dat boek had.”

Maar zoals de voortgang van het verhaal (zie de delen 1 en 2) zal leren: dat boek hielp ook niet echt!

 


Zo rond het middaguur kwamen we in ons gerieflijke verblijf, de Aasleagh Lodge aan, waar we hartelijk werden verwelkomd door Jim en Mary Staffort, de manager en zijn vrouw. Hij regelt het vissen en Mary en haar staf de verzorging en het eten. En dat eten, waarde lezers, is meer dan voortreffelijk. Het wachten was echter nog op Peter Ouwendijk en Kees Brouwer die ons deze eerste week zouden vergezellen en op eigen gelegenheid (vliegtuig/auto) van het vliegveld Shannon kwamen. Zo om een uur of zes kwamen ze aan, op tijd voor het eerste diner. Het zou te ver voeren ook al deze maaltijden te beschrijven, maar geloof ons: klasse.

Na het eten stond mij trouwens een ernstige teleurstelling te wachten. Ik heb in de loop der jaren al menigmaal de Lodge beschreven en eenieder weet hoe ik mij verheug in de koffie en thee na de maaltijd, te genieten in de Lounge: koffie, thee (whiskey, etc.) open haard, gebloemde banken en fauteuils en door het grote raam een schitterend vergezicht over bergen en rivier. Daarbij hoort een kleine geneugte mijnerzijds: ik rook nauwelijks en doe een jaar met een pakje pijptabak. En eenmaal per jaar doe ik mezelf een klein doosje handgemaakte sigaren (Ivory De Olifant) uit Kampen cadeau, ‘a raison van 5 euro per stuk. Wie schetst mijn teleurstelling toen ik - bovengekomen - door mijn grijnzende vrienden werd geconfronteerd met een bordje ‘no smoking’. Ik dacht eerst dat de etterballen het bordje van beneden hadden meegenomen om mij te pesten maar nee hoor: de asbakken waren alle verwijderd en dus mocht je in een prototype van een klassiek-Engelse ‘smoking room’ niet langer roken. Daar zat ik dus met mijn sigaren, het moet toch niet gekker worden.

De eerste ochtend genoten we allen van het traditioneel zeer substantiële ontbijt: cerials, yoghurt, sapjes, koffie, thee, gebakken bacon, tomaat, worstjes, bloedworst, champignons, ei en fruit. En, als aanvulling op dit alles, zag de broodmagere Peter elke dag ook nog kans een vol bord havermout weg te stouwen. Hij moet er nog van groeien, de jongen.

Voor het vervolg: zie deel 2