Ons lid Wim Tieleman is inmiddels 84 jaar jong (zoals hij het zelf graag zegt) en is zeker niet als vliegvisser begonnen.


Wim is een grage verteller en als je naar zijn vissershistorie vraagt, zit hij al snel op zijn praatstoel. Lees hieronder zijn verhaal:
Als 14 jarige had ik al een kostreisje gemaakt met de vl.80 de gesina, bij schipper Kees van Oosten, de schoonvader van een zus van mij. Ik sliep in zijn kooi en heb daar 3 dagen voor pampus gelegen door de zeeziekte. Toen ze dit thuis via de radio hoorde, dacht mijn moeder, zo die is meteen genezenvan het zeeman zijn, niet dus..................
Als net 15 jarige ging ik in 1947 mee als afhouder op de vl. 207 ss uranus. 13 mei, op de dag dat de kofa in Vlaardingen in de brand stond (warenhuis Kofa-Hofstee aan de Hoogstraat), voer de gehele vloot van Vlaardingen uit en op de Nieuwe waterweg konden we de rook van de brand goed zien.
Onderweg naar de visgronden werd koers gevaren richting Schotland, waar de eerste haring gevangen zouden worden. Na twee dagen was het zover en riep de stuurman SCHOT IS TE BOORD en gingen de 120 netten overboord, terwijl de boot langzaam achteruit voer.
Mooi weer en een gladde zee, ik vond het allemaal prachtig. Alleen toen ik ‘s morgens heel vroeg uit mijn kooi moest, om achter het spil te zitten om de reep, die twee slagen om het donky lag, naar het reepruim te leiden, vond ik het wat minder leuk.
Gelukkig werd ik de derde reis reepschieter, en liep ik in het reepruim de reep, netjes rond lopend,   dat dikke touw, dat toch gauw een paar km lang was, zo neer te leggen, dat bij het weer in zee zetten van de netten, er geen klittebos uit het ruim zou komen. Gelukkig is dat nooit gebeurd.
Je begon de visserij ter hoogte van Schotland in mei en dan zakte je telkens wat zuidelijker, zodat je in december in het kanaal de laatste reizen maakte. 
Onder de Engelse wal, de Doggersbank, werd zoveel haring gevangen dat je in no time het schip vol gevangen had. Wij konden 52 last hebben (voor de niet-weters: 1 last is 17 kantjes, oftewel 17 haringtonnen. Dus bijna 900 tonnen met haring. Mede doordat er daar zoveel gevangen werd, was het er erg druk met de vissende schepen. 
Toen de schipper Willem van Zelm zei, ‘we liggen aan ons merk, we gaan ze thuis brengen’, zei hij tegen mij: “Wim kom jij maar achter het roer”. Hij gaf mij de te varen koers en verdween.
Ja wat moet je dan met zo'n  kluwen van schepen om je heen. Op de visserijschool had ik geleerd wat over stuurboord komt heeft voorrang, dus laveerde ik er zo goed mogelijk tussen door, om op open zee te komen, waar het niet zo druk was.
Toch ging het waarschijnlijk even niet helemaal goed, een fransman, vermoedelijk de schipper stond met gebalde vuist naar mij te zwaaien, en niet uit vriendelijkheid dat zag ik wel. Ik weet nu nog dat ik dacht, bekijk het maar het is toch mis.
Toen eindelijk de Maasboei in zicht was, en de schipper even bij mij kwam, zei hij na een poosje, toen we kort langs de boei voeren: Ik zal de stuurman waarschuwen, dan kan hij het overnemen voor het laatste stuk naar Vlaardingen.
Daar stond ik als 15 jarige op een schip met 17 man aan boord, maar niemand te zien aan dek. Nu is angst of paniek, nooit mijn raadgever geweest, dus voer ik maar rechts aanhoudend de Waterweg op. Toen dan eindelijk de stuurman op de brug kwam waren we / was ik al voorbij de semafoor; hij zei alleen: “Sorry ik wist niet dat je al zover was.”
Die stuurman, Kees Hogendijk, was een echte visserman, en had waarschijnlijk zijn hele zeeman loopbaan op visserij schepen gevaren.  Ook was hij ondergedompeld in het zeemans bijgeloof. Ik weet nog toen er eens, varend onder de kust, er een kraai even wilde uitrusten op de Uranus. Wat er toen allemaal door de lucht vloog, gegooid door de stuurman richting die zwarte, vloten, sijsings alles wat binnen zijn bereik was vloog richting die kraai, en overboord.
Onder de reis de krebben schoon maken, was de goden verzoeken,  slecht voor de visserij. Toen ik eens een paar nieuwe bezems aan hem vroeg, kreeg ik er twee, maar mij werd niet verteld dat onder de reis de krebbe niet schoon gemaakt worden.
De andere dag toen de vangst was weg gewerkt, en het dek werd schoon gespoeld, en geveegd, zei een matroos tegen mij, je moet de krebbe nog doen. Dus ik spoelen en met een bezem in de krebbe bak. Toen de stuurman dat zag….., ik zal zijn woorden hier maar niet herhalen, maar wel ging de bezem in stukken overboord.
Rodekool eten op maandag, wie haalt dat nou in zijn hoofd ? Onze kok dus wel een keer. Toen de stuurman, terwijl hij in het achteronder verbleef, de koollucht waarnam, vloog hij naar de kombuis, pakte de pan met kool en wilde die overboord gooien, maar de kok was achter hem aangegaan en trok net op tijd de pan uit zijn handen.
De machinist die in de machinekamer een op harpoen gelijkelijk geval had gesmeed, en had daar een tonijn mee geharpoeneerd. Toen die na een tijd, met een blaas met hem mee slepend had rond gezwommen, eindelijk aan dek lag stond ik bij de kop van die mooie grote vis, en de stuurman zei: “Kijk jij een beetje uit, straks bijt hij je voet eraf.”
Natuurlijk vond ik dat overdreven, en gaf een schop tegen de kop van de tonijn. De stuurman pakte de laatste bezem die er was en stak die in de bek van de vis; toen kon ook de laatste bezem in losse onderdelen overboord.
Om een lang verhaal nog langer te maken, ik ben altijd een koukleum geweest, en nog steeds.
Ouderen onder u die bewust de winter in 1947 hebben mee gemaakt, kunnen zich misschien die kou nog herinneren: strenge vorst dag en nacht.
In het Kanaal in de nacht aan dek tussen de haring en makreel, het hele schip was een glazen schip, alles ijs. Het touw was drie maal zo dik als het in werkelijkheid was, door het ijs.
Gelukkig was het 30 december, zoals het genoemd werd, gehouden teelt, en had ik van 13 mei tot 30 december 1080 gulden verdiend, toch altijd nog heel wat meer dan iemand van 15 jaar, die aan de wal had gewerkt.
Maar de visserij op zee op die manier had ik wel bekeken. Ik heb mijn dienstplicht nog bij de marine gedaan, maar ben toen aan de wal gaan werken en ben niet één dag zonder werk geweest.
 

Toen ik 60 jaar was en met de vut ging ben ik de eerste 18 jaar met een eigen bootje de zee op gegaan achter voornamelijk kabeljauw aan zit ‘op de wrakken’. Eerst alleen en nu alweer 6 jaar samen met een vriend op een groter en meer completer schip.
 


Maar als ze me nu missen, ben ik vissen............................. en hoewel pas 84 jaar, kan ik niet alleen mijn visje vangen, maar eet ik bijna elke dag vis, gebakken, gerookt, gestoofd. En dat doe ik allemaal zelf; alleen in zuur of olie koop ik ze.
De laatste jaren ben ik ook gaan proberen te vliegvissen, en ben lid geworden van de gezelligste vereniging in Vlaardingen.
Verder dan de polder zal ik echter niet meer komen. Groenland Canada, Ierland, e.d. nee,,,
Wel ga ik nog met de ‘bjoetie xl’ tot wel zo'n 35 mijl uit de kust, dat gelukkig nog wel.
Gaan tot het gaatje zeggen ze ...............................................



Ennuh: als je meer wilt weten: vraag het hem gerust, hij trekt graag een uurtje voor je uit.