Bullisme, het bestaat nog steeds.
(door John P.)


 

,,Misschien is het op de Erne wel een goed idee.” In de stem van mijn vismaat R. nee, ik noem geen namen, klonk door de telefoon een lichte trilling die volgens mij te wijten was aan de afkickverschijnselen die optreden na twee weken niet vissen. ,,Ik weet het niet,” zei ik ,,als we toch gaan vissen waarom dan in zo’n zelfmoordbootje van Michael?” Dit sloeg op Michael’s place waar je bootjes kon huren voor het vissen op de Erne. In deze bootjes ga je volgens mij alleen vissen als het je allemaal niets meer kan schelen en/of toch al een wanhopig huwelijk hebt.
Ze hebben toch ook die ijzeren boten,’’ wierp R. nee, ik noem geen namen, tegen met al een beetje wanhopige klank in zijn stem. Ik begon te begrijpen dat zijn nood toch wel erg hoog was en stemde daarom toe. Overmorgen, dan zouden we de grote snoeken uit het water gaan trekken. In een ijzeren boot.
Omdat R. nee, ik noem geen namen, nu overal toe bereid leek regelde ik snel even dat hij aasvisjes zou verzorgen en mij zou ophalen. Op de bewust morgen stond ik in de schuur en bekeek peinzend mijn visspullen. Laten we het zo zeggen, het was niet weinig. Hengels, tas, een visstoel om op het bankje te bevestigen, kunstaaskoffer, buitenboordmotor en nog wat ongeregelde zaken want je weet maar nooit.
Daar kwam R. nee, ik noem geen namen, zoals afgesproken precies op tijd wat op zich al bijzonder is.




 
Triomfantelijk deed hij de achterklep van zijn roestbak open en zei: ,, Kom maar op met je spullen.’’ Meewarig keek ik hem aan en wees op de spullen die achter mij lagen: ,,Hoe wou je dat allemaal meenemen vriend? Ik wil zelf ook nog mee. En wat heb jij in godsnaam allemaal bij je man?” Ik wees daarbij op een emmer van ongeveer een meter hoog en een halve meter in doorsnee. ,, Ik moest toch aasvisjes halen,’’ zei R. nee, ik noem geen namen, ietwat verontwaardigd. ,,Ja, maar niet voor de hele week,’’ zei ik lachend ,,laat eens kijken.’’ Ik trok het plastic een beetje weg wat om de bovenkant van de emmer was gebonden en keek naar beneden. In een klein laagje water zwommen daar zo’n 10 visjes die duidelijk hun huis kwijt waren en wanhopig heen en weer zwommen om van hun ruimtevrees af te komen. ,,Nou dat is niet verkeerd’’ zei ik grinnikend, ,, maar ja, we gaan toch het meest trollen dus we zien wel. Ik ga wel met mijn eigen auto dan hebben we ook geen probleem met de spullen.’’
Bij de boten aangekomen zag ik het al, alle boten op de kant inclusief de ijzeren, op twee bootjes na waar het gras in de gaten groeide. ,,Valt wel mee’’ zei R. nee, ik noem geen namen, grimmig naar mij kijkend. Voor de eerste keer voelend wat doodsverachting was zei ik: ,,Lijkt me ook; kom op uitladen, we gaan.’’ En daar gingen we, de reuzenemmer als een zeil op de voorplecht en met nog nauwelijks ruimte voor onze voeten. Na 10 minuten trollen begon de motor te sputteren en hield er mee op. Ik keek vragend naar R. nee, ik noem geen namen, die de motor het laatst had gebruikt. ,,Ik weet het niet hoor,’’ zei hij, ,,vorige keer deed hij het goed, alleen de laatste 5 minuten niet meer, maar ik dacht dat het nou wel over zou zijn.’’
Ik haalde diep adem en zag een visioen van R. nee, ik noem geen namen, tot aan zijn neus in het water met mijn knijpende handen om zijn nek. ,,Probeer het nog eens,’’ vroeg ik met mijn aardigste stemgeluid.
 
En ja, na tienkeer trekken deed ie het weer. Sputterend en pruttelend redden we het nog zo'n kwartiertje, toen was het echt afgelopen. Gedurende een kwartier klooien aan de motor door R. nee, ik noem geen namen, had ik mooi de gelegenheid om de hengels uit de struiken te bevrijden, waar we met ons hele hebben en houden in gedreven waren. Toen, stelde mijn maat voor, roeiend en slepend met klinisch doodaas richting Enniskillen te gaan, teneinde daar een bougiesleutel te bemachtigen. ,,Zouden we niet beter meteen terug kunnen roeien?’’ opperde ik voorzichtig.
,,Welnee, als ik de bougie eruit heb zie ik meteen wat er aan de hand is’’ zei mijn vriend ,,en bovendien zitten alle grote snoeken bij het kasteel in Enniskillen.’’ Dit laatste argument overtuigde mij helaas wel en daar aangekomen had ik maar een klein uur nodig om een passende sleutel te kopen voor elf Engelse ponden.
Inmiddels moest ik nodig plassen en een parkje aan de andere oever zag er daarvoor zeer uitnodigend uit. Ik verzocht mijn maat vriendelijk even daar heen te roeien, dan kon hij daar sleutelen terwijl ik daar het hoogstnoodzakelijke kon verrichten. Slepend met de vissen achter de boot, je kon immers nooit weten, gingen we naar de overkant, waar ik intens gelukkig even in de bosjes verdween.
Toen ik terugkwam zag ik dat R. nee, ik noem geen namen, druk aan het sleutelen was, in zalige onwetendheid dat het bootje inmiddels vijf meter uit de kant was gedreven en met de hengeltoppen recht vooruit op een groep gulzige bomen afkoerste. Ik dacht erover om mijn maat te waarschuwen maar ik bedacht me gelukkig net op tijd dat hij er een hekel aan heeft om gestoord te worden onder het werk. Zuchtend liet ik me op een bankje zakken en onder het genot van een slokje uit de fles voor noodgevallen zag ik gelaten aan hoe de hengeltoppen, inclusief lijnen en dobbers, door de bomen werden opgeslokt.
Drie kwartier later en na het legen van het flesje kwam R. nee, ik noem geen namen, weer naar de kant. ,,We moesten maar eens terug gaan,’’ zei mijn makker, ,,het wordt snel donker.’’ ,,Doet ie het weer?’’ vroeg ik onschuldig, want ik had niet echt goed opgelet.,, Nee,’’ zei mijn kameraad, ,,maar jij bent toch zo sterk, jij roeit dat stukkie wel even terug.,, Ik kreeg hevig spijt dat ik mijn maatje had verteld van mijn sportschoolbezoek en dat dat zo goed voor je was en dat je er zo’n goede conditie van kreeg enz. Zuchtend pakte ik de riemen en begon aan het eerste uur van de drie die we nog stroomopwaarts te gaan hadden.



Het begon zachtjes te regenen. Na één uur en een kwartier geroeid te hebben keek ik ongelovig naar mijn linker roeiriem die ophield zo'n tien centimeter vanuit de boot. De rest dreef, bevallig wiegend op de golfjes, terug richting Enniskillen
,,Wat doe jij nou,?’’ vroeg mijn goede vriend verbaasd. ,, Ik doe het laatste stukkie met één roeispaan, goed voor mijn conditie,’’ antwoordde ik vriendelijk, terwijl de visioenen waar R. nee, ik noem geen namen, als levend aas achter de boot hing, door mij bijna als echt werden ervaren. Zoals de Batavieren indertijd met één peddel in hun grote handen de Rijn aftrokken, zo peddelde ik naar het dichtstbijzijnde gammele steigertje. ,,Ik loop wel even naar Michael en dan kom ik met de auto terug voor de spullen,’’ zei mijn kameraad en ging op weg. ,,Veel plezier,’’ riep ik hem hartelijk na en begon met het uitladen van de spullen. Heldhaftig onderdrukte ik de neiging om de hengels in stukjes van tien centimeter te verdelen, de lijnen te verknippen en de rest in het water te lazeren.
Anderhalf uur later was hij terug, het was inmiddels donker en het regende nog steeds.  Zwijgend gooiden we de spullen in de auto en zwijgend reden we naar de cottage.
Oh ja, er zijn trouwens ook nog twee snoeken gevangen,...door R. nee, ik noem geen namen,!