VLIEGENLIJNEN



Bij het werpen met de vliegenhengel maak je in tegenstelling tot de standaard werphengels geen gebruik van een werpgewicht. In feite is de vliegenlijn het werpgewicht waarmee je door snelheid en energieoverzetting grote afstanden kunt werpen. Professionals komen wel tot 70 meter ver, maar die afstanden bereiken ze alleen met aangepast materiaal onder specifieke omstandigheden. Tijdens het vliegvissen zijn dergelijke afstanden niet nodig. Ben je in staat een lijn vijftien meter ver te werpen dan kan je al goed aan de slag in de polder of op de rivieren.

BASISOPBOUW VAN EEN VLIEGENLIJN
Iedere vliegenlijn of het nu een drijvende of een zinkende lijn is heeft een specifieke opbouw (op de levellijn na, zie hieronder) afgestemd op een functie. De elementen waarmee zo'n lijn is opgebouwd komen in feite op elke type vliegenlijn voor. Alleen door het wisselen van de onderlinge verhoudingen geef je specifieke kenmerken aan een lijn.
Hieronder een schematische weergave van die elementen:



A  Lijntip. Het voorste deel van de lijn dat van gelijke dikte is en waar je de leader aan vast knoopt.
B  Fronttaper. De getaperde overgang tussen de tip en de belly (buik) van de vliegenlijn.
C  Belly. De buik van de vliegenlijn: het dikste deel.
D  Rear taper. De getaperde overgang tussen de belly en de running line (volglijn).
E  Running line. De volglijn is het langste deel van de totale lijn en zit aan de reelspoel vast.
en
A, B, C en D vormen samen de Head (kop) van de vliegenlijn. (Tja, het vliegvissen is doorspekt met Engelse termen en woorden, daar kunnen wij ook niets aan doen)

Even een korte uitleg over het gewicht van een lijn en de belasting van een hengel. Het gewicht van een lijn wordt gemeten aan de eerste 30 voet, of wel ongeveer 9 meter. Het gewicht dat buiten het topoog van de hengel komt wordt steeds groter, naarmate de lijn langer wordt. Als je 18 meter lijn uit het topoog hebt, dan is dat gewicht meer dan verdubbeld want het extra deel heeft geen tapering meer. Dus ook al werp je met een aftmalijn op een aftma 5 hengel dan nog kan je overbelasting van de hengel veroorzaken!


SOORTEN VLIEGENLIJNEN
Naast de verschillende lijngewichten en het feit dat ze drijvend (floating) of zinkend (sinking), zijn er ook nog verschillende modellen. In grote lijnen zijn dat er drie:


Level lijnen, die over de hele lengte even dik zijn. Deze lijnen worden worden in de lage klassen alleen nog gebruikt als volglijn en niet meer als werplijn.




Dubbeltapse (Double Taper)
lijnen, die aan beide einden steeds dunner worden. Dat tapse verloop wordt aangebracht om het overslaan van de punt, aan het eind van een worp, wat geleidelijker te laten lopen. Daardoor valt de lijn niet als een steen in het water. Hij is daarom uitermate geschikt voor delicate presentaties waarbij rolworpen en menden een belangrijke rol spelen. DT lijnen worden vaak ingezet voor de presentatie van droge vliegen. Omdat deze lijn aan beide zijden gelijk gevormd is, kun je hem ook omdraaien wanneer na verloop van tijd de voorkant versleten is. Die slijtage wordt meestal zichtbaar in de vorm van kleine barstjes in de lijn. in die barstjes kan zich vuil verzamelen waardoor de lijn niet prettig meer werpt.




Weight Forward (Torpedo) lijnen hebben aan een kant van de lijn een dik gedeelte dat overgaat in een dunne volglijn. De lengte van dat dikke deel kan variëren tussen de 6 en 15 meter, afhankelijk van doel waarvoor de lijn is ontworpen. WF-lijnen maken verdere worpen met een redelijke presentatie mogelijk.
Korte, dikke torpedo's zijn vaak bedoeld voor grote, zware vliegen, zoals snoekstreamers, of voor het vissen op korte afstand en lange dunnere torpedo¹s voor meer subtiele presentaties van kleine droge vliegjes.
De torpedo's worden ook zonder volglijnen verkocht als shooting head of schietkop, waaraan je dan een volglijn of running line moet bevestigen, hetgeen een dunne levellijn is. Met verschillende shooting heads kun je dan met één drijvende running line een heel systeem opbouwen, van zeer snel zinkende tot drijvende lijnen.

LIJNCODERINGEN
Om de grote variatie in vliegenlijnen te kunnen hanteren is een coderingssyteem ontwikkeld waarbij onderstaande codes worden gebruikt:

Lijnmodel:

WF Weight Forward of torpedolijn
DT Dubbel Taps
ST Shooting Taper, schietkoplijn
L Level lijn
TT Triangle Taper, een WF-lijn, die aan de butt dik is en langzaam dunner wordt in de richting van de tip.
LB Long Belly, een WF-lijn met een extra lange torpedo.

Zinkend of drijvend:
F Floating: drijvend
I Intermediate: zeer langzaam zinkend, met vet drijvend te maken
S Sinking: zinkend
F/S Floating/Sinking: zinktip: een zinkende tip en drijvende volglijn.
FS Fast Sinking: snel zinkende lijn
Hi-D High speed-High Density: zeer snel zinkende lijn
DD Deep Down: de snelst zinkende lijn.

De opbouw van een lijncodering ziet er dan als volgt uit: Lijnmodel - Lijn gewicht - Zinkend of drijvend.

Een voorbeeld: DT5F: Dubbeltaps - AFTMA 5 - Floating (drijvend)

Laat je adviseren
De variatie in lijnen is enorm. Voor bijna alle omstandigheden kun je een lijn bedenken (of aanschaffen). Om wegwijs te worden in die enorme variatie in vliegenlijnen is het zaak om bij aanschaf je voor de eerste keer te laten vergezellen door een ervaren vliegvisser(vriend). Dergelijke lijnen zijn ook weer niet zo goedkoop dat je je veel miskleunen kunt veroorloven. Voor de beginner in Nederland is een drijvende WF of DT lijn, passend bij de hengel een goede start.